

Van 1991 tot 1995:
6. KAMPALA
In maart 1991 vloog Robert alleen van Sydney naar Kampala, om als adjunct-directeur te gaan werken in het Sheraton Hotel. Voorlopig negen maanden, om uit te zoeken of het een goede beslissing zou zijn om hier lange tijd te werken. Uiteindelijk zijn we er viereneenhalf jaar gebleven en die jaren vormden een aaneenschakeling van avontuur, verrassingen en bijzondere belevenissen.
Oude bekende
Het is een heel lange vlucht, eerst van Sydney naar Perth, dan overstappen voor de vlucht naar Harare, de hoofdstad van Zimbabwe. Daar een nachtje slapen en de volgende ochtend verder naar Nairobi om daar weer over te stappen op de vlucht naar Entebbe.
Op het vliegveld van Entebbe werd Robert afgehaald door John Irwin, hoofd personeelszaken van het Sheraton. Dezelfde John Irwin was ook hoofd personeelszaken geweest van het Apollo Hotel in Amsterdam in de jaren dat Robert daar voor Trusthouse Forte werkte. Een klein wereldje en een leuk welkom in een totaal onbekende omgeving.
Controle
Het vliegveld Entebbe was destijds heel armoedig en sterk verwaarloosd. Vuil, kapotte ramen vol spinnenwebben, kapotte lampen, verstopte toiletten en corrupte douane- en veiligheidsbeambten. Robert kreeg controle of hij wel alle nodige injecties had gekregen. Volgens de dokter op het vliegveld moest hij nog een gele koortsprik hebben. Wel even goed opgelet dat er een weggooi-injectiespuit werd gebruikt. Dit kostte een paar dollars. Toen hielden een paar veiligheidsbeambten hem aan, ze vroegen of hij dollars bij zich had. Ze wilden hem alleen na betaling van twintig dollar binnenlaten. Zo werkt dat in Uganda.
Kampala door de ogen van Robert en Yoka
De hoofdstad Kampala ligt ruim 20 kilometer van het vliegveld Entebbe. Dit vliegveld is bekend vanwege de Raid on Entebbe, in 1977 uitgevoerd door de Israëliërs ten tijde van het bewind van Idi Amin. Dit was dus ongeveer veertien jaar geleden, maar de restanten van deze aanval, het kapotte vliegtuig en de zwaar beschadigde terminal staan er nog steeds.
Van Entebbe naar Kampala loopt een smalle asfaltweg, langs de kust van het Victoriameer. Dit is het grootste meer in Afrika en wordt druk bevist. Vooral tilapia en nijlbaars zijn erg populair en worden in fabriekjes gefileerd en ingevroren voor de export. Buiten de fabriekjes staan groepjes mensen die de graten en koppen van de gefileerde vis opkopen om er vissoep van te trekken.
Er staan honderden kleine huisjes, winkeltjes en bedrijfjes langs de weg. De aarde is diep roodbruin en heel erg vruchtbaar. De kleine tuintjes staan vol met palmbomen waaraan grote trossen bananen hangen. Verder groeit er veel maïs en suikerriet. De huisjes zijn overgroeid met felkleurige bougainville, dat geeft het geheel een lieflijke aanblik. Er zijn overal koeien, geiten, eenden en kippen. Opvallend zijn de runderen met enorme hoorns die je in Europa alleen in de dierentuin ziet. Het is als een levendig en gezellig, langgerekt dorp dat zich over een lengte van ruim twintig kilometer uitstrekt tot aan de stad Kampala.
Wat ook direct opvalt, zijn de honderden vrolijke kinderen. Zij wandelen langs de weg gekleed in schoongewassen en gestreken schooluniformen, soms met hun boekentassen op hun hoofd van en naar school.
Dan zijn er de meisjes en vrouwen die een loodzware jerrycan met water op hun hoofd dragen en de mannen die naast hun fietsen lopen waar achterop trossen bananen de heuvels opgeduwd worden. Iedereen is druk bezig en onderweg. Als het regent, houden ze een groot bananenblad als paraplu boven hun hoofd. Het verkeer bestaat uit fietsen, pick-uptrucks, volgepropte minibusjes en te vol geladen, scheefhangende vrachtauto’s. Langs de weg staan veel verroeste autowrakken.
De mensen zijn goed doorvoed en zien er op het eerste gezicht heel gelukkig en gezond uit. De kinderen zwaaien enthousiast naar de blanke toeristen en roepen: 'mzungu, mzungu', wat blanke reiziger betekent.
Het volksvoedsel in Uganda is matoke. Dit wordt gemaakt van kleine, harde, groene bananen die worden gepeld, in stukjes gesneden, gekookt en fijngestampt tot een soort dikke aardappelpuree. Men neemt daar een grote schep van op een kleurig plastic bordje, pakt met de rechterhand een klontje en doopt dat in een saus. Dit is saus van vis- of geitenvlees, met veel gebruik van kruiden, pittige pepers en chili’s. Het is mogelijk dat men het gebruik van de specerijen heeft overgenomen van de Indiase bevolking, die in het verleden door de Engelsen in groten getale naar Uganda was gehaald om te helpen het land te kolonialiseren.
Uganda: afbraak en voorzichtig herstel
Na het vertrek van de Engelse overheersers domineerden de Indiase mensen het land. Het waren slimme, serieuze, harde werkers. De beruchte en bloeddorstige Idi Amin was zo geïrriteerd door de Indiërs die het allemaal beter wisten, geld hadden en aan de touwtjes trokken in de economie, dat hij ze in 1972 allemaal binnen negentig dagen het land uit knikkerde. Dit betekende het einde van de welvaart. Toen het land alleen werd gerund door Ugandezen die elkaar onderling naar het leven stonden, gleed het snel bergafwaarts. De Ugandezen hadden totaal geen ervaring in leidinggeven, plannen en het voeren van een goed beleid. Ze waren alleen uit op macht en het snel vullen van hun zakken. Ze misbruikten hun nieuw verworven posities. Uganda werd een hel en raakte in verval.
President Museveni kwam in 1986 aan de macht en probeerde met man en macht het land er weer bovenop te krijgen. Toen hij eenmaal had aangetoond dat hij in tegenstelling tot zijn twee voorgangers goede bedoelingen had en serieus aan de gang was, kreeg hij veel steun van landen en organisaties die aan ontwikkelingshulp doen, o.a. de Wereldbank, WMF, UNICEF en UNESCO. Ze kwamen in groten getale helpen en werden door president Museveni met open armen ontvangen. Uganda werd het lievelingetje in de Afrikaanse klas en ruimschoots gesteund door landen die daar heel grote bedragen voor over hadden. De huidige president Museveni vertelt dit alles in zijn boek What is Africa’s problem.

Er waren volop goede plannen en goede bedoelingen. Jammer genoeg waren de resultaten meestal bedroevend en kwam er nog heel veel geld in verkeerde handen terecht. Ook waren de meeste projecten niet succesvol en na een paar jaar, als alles gestolen was of kapot, kon men weer helemaal opnieuw beginnen.
Het Sheraton Hotel ligt in het hart van Kampala, op een heuvel midden in een soort stadspark. Het voordeel daarvan is dat het goed te bewaken is en dat is hard nodig in Uganda. De hekken en slagbomen rond het park werden ’s avonds hermetisch gesloten en de van scherpe pennen voorziene verkeersdrempels gingen omhoog. Dag en nacht stonden er gewapende soldaten bij de ingang en er werd gepatrouilleerd in het park.
Iedere nacht hoorde je schieten in de stad. Soms vlogen er kogels richting het hotel, een paar keer zelfs door de ramen in hotelkamers heen. De schoten waren meestal waarschuwingsschoten, die door de honderden bewakers van winkels, huizen, kantoren en banken werden afgevuurd als ze dachten dat er onraad was. Soms schoten de bewakers als ze dronken waren in de lucht om indruk te maken op hun vrouw of vriendin of hun vreugde te uiten als hun voetbalclub gewonnen had. Er waren ook veel bewakers in en rond de stad die niet de beschikking over vuurwapens hadden en dus met speer of pijl-en-boog op hun wachtpost zaten. Deze mannen heten Askari’s. Bewaker zijn is een prima baantje in Uganda. Je kunt overdag iets anders doen en dan ’s nachts niet thuis slapen, maar op je werkplek als bewaker.
Het maken van doodskisten is een van de meest welvarende industrieën in Uganda. Er zijn wijken in Kampala waar de kleine timmerfabriekjes waar doodskisten gemaakt worden, deur aan deur te vinden zijn. Er staan stapels kisten buiten opgesteld en die vinden veel aftrek.
Toen wij in 1991 in Uganda gingen wonen was er sprake van een langzaam herstel van de afschuwelijke jaren dat Obote en Idi Amin het land naar de afgrond hadden gebracht. Het Sheraton Hotel in Kampala was de ontmoetings- en werkplek voor de honderden ontwikkelingsmedewerkers die zich bemoeiden met het lot van Uganda. Het was een komen en gaan van westerse consultants, regeringsmedewerkers en delegaties die kwamen kijken hoe het ervoor stond en daar allemaal een leuke job aan hadden.
Minister
Robert kwam te wonen in de Apolloflat achter het hotel. Hij kon daar zelf voor de inrichting van zijn driekamerappartement zorgen en woonde in dat gebouw met de andere directieleden en afdelingshoofden van het Sheraton. Alleen de General Manager woonde met zijn gezin in het hotel.
Er woonde in de Apolloflat nog een handjevol niet-Sheraton-employés. Zo bleek de bovenbuurman van Robert de minister van Toerisme te zijn. Het hotel was eigendom van de regering en deze minister was aangesteld om onder andere de exploitatie van het hotel door Sheraton te begeleiden en te controleren. Hij had zijn ministerswoning verhuurd en was met zijn vrouw zonder betaling in een van de Apolloflats gaan wonen. Het was een reuze aardige man die regelmatig probeerde zaken te doen met het hotel. Hij wilde graag optreden als leverancier van meubels, vloerbedekking en andere zaken die er zoal nodig waren. Jammer genoeg overleed de minister, een jaar nadat Robert was aangekomen, aan aids.
Frauduleuze directeur
Robert ging aan de slag in het hotel dat, zoals alles in Uganda, nogal verwaarloosd was. Er was volop werk en het personeel vond het best leuk dat er een frisse wind ging waaien. De General Manager, Roberts directe baas, was een Deen en hij liet onmiddellijk vrijwel alles aan Robert over. Hij trok uit zijn kantoor, waarvan Robert dankbaar gebruikmaakte, en richtte met zijn secretaresse in een hotelsuite op de eerste etage een nieuw kantoor in. Deze Deense directeur lag graag aan het zwembad en ging ook graag op inkoopreis naar Duitsland, Zwitserland en Turkije. Er was immers vrijwel niets te krijgen in Uganda, dus er moest geïmporteerd worden. En passant bracht hij volle containers naar Uganda voor zijn eigen handeltje. Zelfs stond er een keer een grote zwarte Mercedes 500S achter in een container. Deze auto had hij geïmporteerd om door te verkopen aan een Ugandese regeringsfunctionaris.
Na een paar maanden ging de Deense GM met zijn gezin met vakantie. Robert nam gedurende een maand de honneurs waar. Een aantal dagen na zijn vertrek ontstond er grote onrust in het hotel. Een vrachtauto was het rond het hotel gelegen park binnengereden en de chauffeurs begonnen keukenapparatuur uit een van de restaurants in te laden. De security employés vroegen wat ze aan het doen waren, en wilden de papieren zien die deze actie moesten verantwoorden, maar die bleken er niet te zijn. Er zat duidelijk een luchtje aan dit transport. Van het een kwam het ander, de politie werd ingeschakeld en de verhuisactie afgeblazen. De chauffeurs werden wegens diefstal gearresteerd. De zaak werd tot op de bodem uitgezocht. Het bleek dat de Deense hoteldirecteur opdracht had gegeven voor de ontmanteling van weinig gebruikte keukenapparatuur. Hij wilde voor zijn vrouw een fastfoodrestaurant openen in de binnenstad en daar een keuken inrichten met Sheratonapparatuur. Het werd een grote rel. Op de voorpagina's van de kranten stond te lezen dat de general manager van het Sheraton een dief was en had geprobeerd zich regeringseigendommen toe te eigenen. Robert moest het hoofdkantoor van Sheraton in Brussel hierover inlichten. De Deen moest op het matje komen. Hij werd ontslagen en Robert werd aangesteld als tijdelijk directeur van het hotel. Een snelle en onverwachte promotie. Er waren boze tongen die zeiden dat Robert dit alles in scène had gezet, omdat hij erg ambitieus was en het op een snelle promotie had voorzien.
Promotie
Een maand of vier later tijdens een regionale Sheratonconferentie in Harare werd Robert officieel aangesteld als de nieuwe General Manager van het Sheraton Kampala. Dit gebeurde met volledige goedkeuring van de nieuw aangestelde Raad van Bestuur, waarmee Robert inmiddels een prima band had opgebouwd. Toen hij terugkwam in Kampala, kon hij zijn intrek nemen in het grote vijfkamerappartement op de eerste etage van het hotel, dat bestemd was voor de General Manager. Het was de eerste keer dat Robert General Manager was van een Sheraton Hotel. Na Kampala zouden er nog vier andere hotels volgen.
Interplast
Gedurende deze eerste maanden in Kampala hoorde Robert voor het eerst van de organisatie Interplast uit Nederland. Van dit groepje plastische chirurgen kwam een aantal naar Uganda om kinderen gratis te opereren aan hazenlippen, brandwonden, verminkingen, vergroeiingen en tumoren. Dit werd gesteund door de plaatselijke Rotary Club. Het team zou gaan slapen in een klein hotel in Kampala. Robert wilde deze mensen graag leren kennen en in het Sheraton hebben en zocht uit wat de details waren van hun bezoek. Toen de Interplast-medewerkers vanuit Nederland aankwamen op het vliegveld van Entebbe, was Robert aanwezig en bood hun tegen een zeer concurrerende prijs accommodatie aan in het Sheraton, naast het gebruik van een auto van het hotel en nog wat andere zaken. Hoewel de Interplast-mensen eerst enige weerstand toonden, omdat ze dachten dat er louter commerciële bedoelingen achter zaten, lieten ze zich door Robert toch overhalen in het Sheraton te logeren. Het was het begin van een vriendschap en samenwerking die tot op heden voortduurt. Interplast staat onder leiding van Rein Zeeman en zijn vrouw Thil. Zij doen ongelooflijk goed werk en hebben al honderden kinderen gratis geopereerd. Rein heeft zich inmiddels helemaal gewijd aan de Uganda-projecten en zich bijna full time in Kampala gevestigd waar hij een brandwondencentrum heeft geopend.
Vakantie
De zaken in het Sheraton Kampala liepen goed, de omzet groeide en het team van medewerkers begon beter te functioneren. De eerste korte vakantie van Robert die hij bij zijn gezin in Sydney zou doorbrengen kwam snel naderbij. In september 1991 vloog hij terug voor een korte hereniging en voor het vieren van zijn 49ste verjaardag. Pas in de kerstvakantie kwamen ook Yoka en de kinderen naar Kampala (zie het Sydney-hoofdstuk).

Naar school in Amsterdam
In Kampala is geen internationale middelbare school, daarom hadden we besloten dat Ellen en Robert-Paul na een half jaar vakantie in Kampala zouden verhuizen naar Amsterdam om daar te gaan studeren.
In juni 1992 kochten we een flat aan de Van Nijenrodeweg in Amsterdam-Buitenveldert. De International School of Amsterdam was vlakbij. We meldden Robert-Paul en Ellen daar aan en het bleek al snel dat dit een goede keuze was. De sfeer op de school en het niveau van het Engelstalige onderwijs waren erg goed. Robert-Paul en Ellen gingen samen in onze nieuwe flat wonen. Dat was enigszins een gok. Hoe zouden deze twee tieners het ervan afbrengen met zoveel vrijheid? We belden bijna iedere dag en eens in de twee maanden ging Yoka een poosje naar Amsterdam om te kijken hoe ze omgingen met het zelfstandig wonen en alle klusjes die daarbij komen. Ze kregen een maandelijkse toelage voor boodschappen en moesten alle huishoudelijke karweitjes geheel zelfstandig uitvoeren. Het werd een groot succes. Ze gingen heel bewust en gecontroleerd om met het zelfstandig wonen. De studie verliep vlot en de diploma’s werden zonder problemen behaald. We waren heel trots op onze expat kids.

Miss Uganda
In het Sheraton werd de Miss Uganda-verkiezing gehouden. Robert was er als sponsor en mede-organisator bij betrokken. Hij wist Shell te interesseren ook als sponsor op te treden. De Nederlandse directeur van Shell, die tevens de consul van Nederland was, vond dit wel een leuk evenement, dat goede pr voor zijn bedrijf zou kunnen opleveren. Toen hij de nieuwe Miss Uganda wat beter leerde kennen, werd hij halsoverkop verliefd en begon een intieme relatie met haar. Dit mondde uit in hevige ruzies en vechtpartijen met zijn echtgenote. Zij besloot haar koffers te pakken en met de kinderen terug te gaan naar Nederland. Een trieste afloop van een feestelijk evenement.
Weerzien
Op een dag kreeg Robert op kantoor bezoek van iemand die zich introduceerde als het hoofd van de veiligheidsdienst van de Israëlische ambassade in Nairobi. De Israëlische ambassadeur zou op bezoek komen in Kampala en logeren in het Sheraton Hotel. De veiligheidsbeambte wilde het hotel inspecteren en zien of het wel een veilige plek was voor de ambassadeur. Robert liet het hoofd van de veiligheidsdienst van het hotel naar zijn kantoor komen en stelde de twee aan elkaar voor. Na wat heen en weer praten bleek dat de twee iets gemeen hadden. In 1977 waren ze allebei soldaat en betrokken bij de raid on Entebbe die het Israëlische leger uitvoerde om Joodse vliegtuigpassagiers te bevrijden uit de handen van Idi Amin en de Palestijnse kapers. Het hoofd van de veiligheidsdienst van het hotel maakte toen deel uit van het leger van Idi Amin en had geschoten op de Israëlische aanvallers. De Israëlische veiligheidsbeambte bevond zich destijds onder het groepje Israëlische soldaten dat de aanval had uitgevoerd. De beide mannen hadden heel wat herinneringen uit te wisselen en vonden het prachtig dat ze elkaar nu 25 jaar later onder het genot van een kopje koffie, weer ontmoetten.
Verdachte zaken
Robert ontdekte dat veel landen, zoals Israël, Egypte, Libië, Frankrijk en Rusland, Uganda gebruikten als een plek om dingen te doen die in de westerse wereld het daglicht niet kunnen verdragen. Spionage en wapenhandel tierden welig en het Sheraton was, als enige luxe hotel in het land, de werk- en ontmoetingsplek van vele afgevaardigden van deze landen. De night manager van het hotel kwam in een heel vervelende situatie toen hij veel geld had aangenomen van iemand van de Egyptische ambassade in ruil voor persoonsgegevens, paspoort-, creditcardnummers en kamernummers van Israëlische diplomaten.
Robert verhuurde zes hotelkamers voor een jaar aan de handelsattaché van de Franse ambassade. Deze kamers bevonden zich vrijwel naast ons appartement, dus hij kwam er vele malen per dag langs en maakte dan een praatje met de medewerkers die daar aan het werk waren. Het was hem al opgevallen dat er een paar mensen werkten uit Rwanda. Dit was begin 1994, kort voordat de volkerenmoord in Rwanda plaatsvond. Robert begreep later dat via dit kantoor wapens voor Rwanda verhandeld werden. De Fransen verdienden een aardig centje aan de oorlogssituaties in Afrika.
Korte tijd daarna werkten er bij dezelfde Franse handelsattaché medewerkers uit Irak en stonden er reusachtige Russische vrachtvliegtuigen op het vliegveld van Entebbe. Dit was ten tijde van de inval van Irak in Koeweit in 1991 en voor het uitbreken van de Eerste Golfoorlog. Het is vrijwel zeker dat de wapens die Rusland en Frankrijk leverden aan Irak via Entebbe werden ingevlogen. Rusland en Frankrijk hebben zich dan ook niet voor niets helemaal afzijdig gehouden in de beide oorlogen met Irak.
Strijd tegen aids
Er was in die jaren bijna geen land in de wereld waar de ziekte aids niet veel mensen had geïnfecteerd. Uganda stond boven aan de lijst als een van de meest getroffen landen. De leeftijdsgroep 15 tot 45 jaar was het meest getroffen. Dan zijn de mensen seksueel het meest actief en dus ook snel besmet. Er stierven duizenden aidspatiënten en soms waren er in dorpen alleen nog maar kinderen en grootouders. De generatie daartussen was aan aids overleden. Ten tijde van Idi Amin waren 300.000 Ugandezen om het leven gebracht, nu stierven grote aantallen vanwege de aidsepidemie. De regering stond open voor voorlichting en er werden, met behulp van buitenlandse organisaties, overal lezingen gehouden. Op veel plaatsen hingen posters en ook op radio en tv werd constant aandacht aan het aidsprobleem besteed.
Het Sheraton Hotel had een vaste arts. Dit was dokter Okulo en hij woonde met zijn gezin in de aangrenzende Apolloflat. Hij runde zijn kliniek in een ruimte die hij huurde van het hotel. Hij maakte zo ongeveer deel uit van de directie van het hotel en was heel actief betrokken bij vele activiteiten. Hij trad bijvoorbeeld altijd op als hotelfotograaf – maar de kwaliteit van zijn foto’s was zo slecht, dat Robert daaraan snel een eind maakte. Dokter Okulo keurde alle nieuwe medewerkers. Hij gaf de 350 hotelmedewerkers regelmatig voorlichting over persoonlijke hygiëne en allerlei ziekten, waaronder aids. Naast de prikklok bij de personeelsingang hingen allerlei posters die opriepen het bij slechts één partner te houden en niet te veel te 'grazen'. Het hotel kreeg van de UN grote hoeveelheden condooms om gratis ter beschikking te stellen aan het personeel. Daarvan werd veel gebruikgemaakt, alhoewel we de indruk hadden dat de meeste condooms rechtstreeks in de verkoop gingen.
Ondanks de voorlichting en de condooms waren er toch constant besmette slachtoffers onder het personeel. Je kon het zien als iemand vaak ziek was, weer terugkwam om een paar dagen te werken, mager werd, lusteloos was en kracht en energie verloor. Dan wisten we wel hoe laat het was. Ook waren er veel jonge vrouwen die na de geboorte van hun baby niet goed herstelden en bergafwaarts gingen. Het hotel betaalde ruim voor de medische behandelingen en ging zelfs zover dat ook langdurige behandelingen door alternatieve toverdokters werden betaald. Men geloofde daar nu eenmaal heilig in en nam dat net zo serieus als de moderne geneeswijzen. Er waren veel behandelingen met kruiden. In de jaren dat wij in Uganda waren, overleden ongeveer twintig hotelmedewerkers aan aids. Er waren er echter veel meer ziek, maar men kon jaren met de ziekte rondlopen voordat het zich openbaarde. We keurden nieuwe medewerkers bij aanname, maar je kunt bij wijze van spreken op maandag vaststellen dat iemand niet besmet is en deze persoon kan de nacht van maandag op dinsdag wel besmet worden. Het was water naar de zee dragen.
Sake
Een aidspatiënt van wie we het verloop van de ziekte van heel dichtbij meemaakten was Sake, het hoofd van onze hotelveiligheidsdienst. Hij was een sterke man, midden veertig, en dus in de bloei van zijn leven. Hij was altijd heel aardig en trouw en vooral ook trots dat hij zo'n fijne baan had in het prestigieuze Sheraton Hotel. Sake diende Robert regelmatig van raad en beschermde hem in veel situaties. Ook Sake werd ziek en na een paar maanden wisten we wat er aan de hand was. We waren machteloos, maar hielpen hem enigzins door hem een tijdje comfortabel in een hotelkamer onder te brengen. We zagen hem achteruitgaan, hij vermagerde sterk. Hij moest weer opgenomen worden in het ziekenhuis en we bezochten hem daar. Aan zijn bed waren altijd twee vrouwen te vinden. Sake overleed en de vrouwen vochten een robbertje op de gang van het ziekenhuis omdat ze zich allebei over het koffertje wilden ontfermen waarvan ze dachten of wisten dat Sake daarin zijn persoonlijke eigendommen en wat geld had opgeborgen.
De begrafenis van Sake zou plaatsvinden in zijn geboortestad Gulu in het noorden van Uganda, zo’n 350 km van Kampala. Het hotel betaalde voor een bus waarin zijn vrienden en collega’s met Sake meereisden. Zij laadden de kist met het stoffelijk overschot in de bus, in het gangpad. Ook namen ze stenen, zand en cement mee om een graf voor hem te kunnen maken. Na ongeveer 100 kilometer gaf de bus de geest en stond het gezelschap op een verlaten weg. Een paar mannen liftten terug naar het hotel en kwamen Robert om raad en hulp vragen. Hij stelde drie pick-uptrucks van het hotel beschikbaar. Daarmee reden ze terug naar de plek waar de bus stond te wachten en laadden de kist, de stenen en alle overige spullen over in de open laadbakken van de trucks. Toen vervolgden ze hun reis. Verder liep alles volgens plan en onze vriend Sake vond zijn laatste rustplaats in zijn geboortegrond.
Lustrumcadeau
De vakbonden maakten de contracten voor de werknemers van het hotel. In het contract stond dat de werknemer na vijf jaar dienst een fiets kreeg en na tien jaar twintig ijzeren golfplaten voor het dak van zijn huis. Robert was er toen het eerste lustrum van het hotel werd gevierd en ruim negentig employés in aanmerking kwamen voor de fiets. Robert kocht de fietsen, die uit China kwamen, in bij een lokale handelaar. Tijdens een feestelijke bijeenkomst in de tuin van het hotel namen negentig trotse werknemers de fietsen in ontvangst. Het was voorpaginanieuws in de lokale kranten. Robert vroeg aan een van de mensen of hij nu voortaan met de fiets naar zijn werk zou komen. Dat was niet het geval. De fiets ging naar zijn dorp, waar zijn broer hem zou exploiteren als taxi of als vervoermiddel voor vracht. Het was dus een prima cadeau waar iedereen beter van werd.
Staking
Dezelfde vakbonden waren een jaar later ook heel actief in de onderhandelingen voor de nieuwe cao. De eerste besprekingen vonden plaats in Roberts kantoor en de vakbonden eisten gelijk een loonsverhoging van 90%. Robert legde uit dat dit veel was en probeerde met behulp van een flip-over en cijfers van de cost of living, de gemiddelde lonen in het land, de arbeidsmarkt en de financiële mogelijkheden van het hotel uit te leggen dat dit echt niet kon. De heren trokken zich terug en kwamen daarna met de eis van 65%. De onderhandelingen sleepten zich enige weken voort. Robert pleegde overleg met de werkgeversorganisatie, de raad van bestuur, het ministerie waaronder het Sheraton viel en zijn hoofdkantoor. Het hotel kon uiteindelijk 8% betalen, maar de vakbonden wilden minstens 18%. De gesprekken stokten en een paar dagen later brak er een staking uit. Buiten de poorten van het hotel stonden de stakers met spandoeken waarop stond dat Robert een racist was en dat men pas weer aan het werk wilde na verkrijging van de 18% loonsverhoging en het uit het land verwijderen van de racistische blanke GM. Op dat moment greep president Museveni in. Hij kende Robert vrij goed en wist dat er bij hem geen sprake was van racisme. Ook vond hij het hotel zo belangrijk voor de economie en het imago van het land dat hij de staking niet accepteerde. Hij stuurde zijn in burger geklede veiligheidsmedewerkers eropaf en dezen stelden een ultimatum aan de stakers: weer aan het werk of op staande voet ontslag. Onder deze druk gingen de werknemers weer aan het werk. De vakbonden stemden hiermee in, maar maakten toen de zaak aanhangig bij het Industrial Court. De uitspraak liet ruim een jaar op zich wachten. Uiteindelijk kregen de medewerkers volgens de gerechtelijke uitspraak toch hun 18% salarisverhoging. Men weet nooit hoe zo’n rechter beïnvloed en voor het karretje van een eisende partij gespannen wordt. Later vonden we uit dat de hoofdboekhouder van het hotel, die uit Zimbabwe kwam en zelf graag directeur wilde worden, de drijvende kracht was geweest achter de staking en de eisen van de employés.
Reis naar Zuid-Afrika
Uganda was een land dat weinig of geen import van luxe goederen kende, er was geen markt voor die spullen. Zo waren er bijvoorbeeld geen sinaasappelen, appels en druiven te krijgen. Import zou te duur zijn voor de plaatselijke bevolking. Al het linnengoed en de meeste zaken die het hotel nodig had werden door ons geïmporteerd. Er was in het hotel een eigen bonded warehouse, een douanevrije opslagloods, waar de douane naartoe kwam om onze import te klaren. Alles veranderde toen de apartheid in Zuid-Afrika in 1994 tot een eind kwam. Plotseling mochten we zaken doen met Zuid-Afrika en kregen we volop bezoek van Zuid-Afrikaanse handelaren, die alles konden leveren waar we lange tijd om verlegen hadden gezeten.
Toen kwamen er ook luchtvaartverbindingen en besloot Uganda Airlines Johannesburg op te nemen in hun netwerk. Dit werd feestelijk gevierd en er was een inaugural flight waarvoor wij werden uitgenodigd. We besloten er een leuke vakantie aan vast te knopen. We vlogen naar Johannesburg en verbleven een paar dagen in het Sandton Hotel aan de rand van de stad in de buitenwijk Sandton. Er waren daar prachtige winkelcentra en restaurants zoals wij ze lange tijd niet hadden gezien. Van Johannesburg vlogen we naar Kaapstad en hadden daar een paar mooie dagen. We speelden golf op de Royal Cape Golf Course. We huurden een auto en reden naar Stellenbosch. Onderweg zagen we de shantytowns die er triest uitzagen, maar we waren dat wel gewend van Uganda. We reden tussen de prachtige velden met druivenranken. We sliepen in het romantische Lanzerac Hotel met een oud-Hollandse gevel en we zagen het oogsten van de druiven en het bereiden van de wijn. Het is indrukwekkend te zien hoeveel Nederlandse geschiedenis hier te vinden is.
Van Kaapstad reden we terug naar Johannesburg met de Blue Train. Een nostalgische, ouderwets aandoende slaaptrein waarin je 27 uur doorbrengt. Het was een heel comfortabele en gezellige reis. We hadden een kleine privé-badkamer bij onze slaapcabine en de butler zorgde goed voor ons. We hebben nog steeds een fles wijn met het Blue Train-etiket.
Van Johannesburg reden we in twee uur naar Sun City en sliepen in een adembenemend hotel dat 'The Palace of the Lost City' heet. Dit is gebouwd en ingericht als een filmdecor. Overal Afrikaanse sfeer gecreëerd met behulp van zebra- en luipaardmotieven, olifantenslagtanden en leeuwenkoppen verwerkt in het meubilair. Buiten grote fonteinen waar een groep goudkleurige gazellen doorheen springt; standbeelden van olifanten en buffels; uitgestrekte zwembaden, watervallen, swim-in-bars en een kunstmatig strand met een woeste, kunstmatige golfslag. Een droomhotel met zeer luxe restaurants, bars, lounges en vlakbij een groot casino. Het geheel is bedacht en medegefinancierd door Sol Kaisner, een joodse zwaargewichtbokser die veel geld verdiend heeft en die nu toonaangevend is in de internationale hotelwereld. Van zijn groep en met zijn signatuur zijn er inmiddels een flink aantal hotels in veel Afrikaanse landen en in Dubai uit de grond gerezen.
We speelden golf in Sun City en bewaren vooral goede herinneringen aan het dertiende hole waar je van de tee moet afslaan direct over een vrij diep, moerasachtig gedeelte waarin tientallen krokodillen liggen. Wie misslaat, kan de bal daar niet even gaan oppakken. Onze eerste Zuid-Afrikareis was een enorm succes. We kwamen goed uitgerust en vol goede ideeën terug in Kampala.
SOS
Terug naar de harde werkelijkheid van het hotel in Kampala. We hadden een Deense Food and Beverage Manager. Op een dag meldde hij zich ziek. De hoteldokter Okulo ging bij hem op huisbezoek en kwam een paar dagen later met Robert praten over het verloop van de ziekte. Het bleek dat de man suikerpatiënt was en deze aandoening heel erg had verwaarloosd. Nu had hij daarbovenop ook nog eens longontsteking gekregen en dat zag er al met al niet goed uit. Hij moest naar het ziekenhuis. Met een ambulance was dat snel gebeurd. De patiënt kreeg een drip, maar na een paar dagen bleek dat zijn toestand snel achteruitging. De behandeling in dit ziekenhuis was erg magertjes en de medicijnen en andere hulpmiddelen niet toereikend. Robert vertrouwde de gang van zaken niet, hij belde met de SOS-doctors service uit Genève waar we een verzekering hadden en een contract dat voorzag in repatriëring in geval van ernstige ziekte of ongelukken. De doktoren in Zwitserland wilden praten met de collega’s in het ziekenhuis. Dat werd door Robert snel geregeld. Een dag later kwam het bericht uit Genève dat ze de man, met een speciaal vliegtuig, zouden komen halen. Nog diezelfde nacht ging Robert, onder begeleiding van veiligheidsmedewerkers, naar Entebbe om het SOS-vliegtuig op te vangen. Het was een Lear jet, speciaal uitgerust als een soort vliegend ziekenhuis. Er waren twee piloten, een dokter en een verpleegster aan boord. De piloten werden naar het hotel gebracht om te rusten, de dokter en de verpleegster gingen naar het ziekenhuis. De patiënt was inmiddels in coma en het zag er slecht uit. De dokter ging gelijk tot actie over. De patiënt kreeg zuurstof, een betere drip en een paar injecties. Na een aantal uren gingen we weer naar het vliegveld, de piloten kwamen terug uit het hotel. De patiënt werd aan boord gebracht en ze vertrokken richting Kopenhagen. Robert slaakte een zucht van verlichting, ze hadden hem levend meegenomen, ook al was het kantje boord.
Zo’n Lear jet kan verschrikkelijk hard en hoog vliegen en ging dan ook in één keer van Entebbe naar Kopenhagen. Daar werd de man opgenomen in het ziekenhuis en herstelde snel. Robert moest zijn persoonlijke eigendommen nasturen en op zoek naar een nieuwe F & B manager. Het was de eerste keer in de geschiedenis van de Sheraton Hotel Groep dat er gebruiktgemaakt was van de Zwitserse SOS repatriëringsverzekering. De Deense F & B manager was niet zo dankbaar als we verwacht hadden. Hij was een goed vriendje van de Deense GM die een paar jaar eerder ontslagen was. Deze man had hem gesuggereerd om een advocaat in de arm te nemen en een grote schadeclaim in te dienen bij Sheraton voor de verkeerde manier waarop dit geval was behandeld. Volgens hem was er sprake geweest van ernstige verwaarlozing van een expat medewerker. Deze claim werd door de advocaten van Sheraton snel uit de wereld geholpen. Robert werd geprezen voor de efficiënte en snelle manier waarop hij had ingegrepen en het leven van de Deense medewerker had gered.
Lastige vleermuizen
Voor het hotel stonden langs een oprijlaan vijftien meter hoge, statige palmbomen. Op een dag streek daar een kolonie van duizenden vrij grote vleermuizen in neer. Het waren zogenaamde Fruitbats, in Afrika komen ze vrij veel voor. Ze zorgden voor heel veel overlast. De hotelgasten klaagden en konden niet slapen. De uitwerpselen stonken en het lawaai was oorverdovend. Men kon de ingang van het hotel niet goed bereiken omdat het uitwerpselen regende. De hotelwerknemers probeerden de vleermuizen te verjagen met water uit tuinslangen. Daar trokken ze zich weinig van aan. Toen belde men de brandweer om met grover geweld aan de slag te gaan. Door de zware drukstralen van de brandweerslangen vlogen de vleermuizen wel op, maar ze kwamen toch steeds weer terug. Na een paar dagen gaven ze gelukkig de strijd op en verdwenen. Tot zijn verbazing kreeg Robert een fax uit Engeland van de International Society for the Protection of Bats. Deze mensen bestuderen en beschermen vleermuizen over de hele wereld en hadden gehoord wat zich in de hoteltuin had afgespeeld. Ze wisten alles van deze kolonie vleermuizen en protesteerden met klem tegen de actie die de hoteldirectie en de brandweer in Kampala hadden gevoerd. Ze verzochten de vleermuizenkolonies in het vervolg met rust te laten. Gelukkig kwamen de vleermuizen niet terug en was het niet nodig in discussie te treden met deze Engelse Society.
Ondernemen in Uganda
De expats in Uganda hadden over het algemeen een vrij goed leven en we aten en feestten regelmatig met elkaar. Ieder land had wel een nationale dag die gevierd moest worden, er waren verjaardagen en er werden nogal wat sportevenementen georganiseerd. We woonden in ruime, ommuurde, koloniale villa’s, die zwaar bewaakt werden. Er stonden overal hekken rond het huis en er was volop prikkeldraad dat soms ’s nachts onder stroom gezet werd.
’s Avonds zat je op het terras van die huizen in een soort kooi en ook binnen waren verschillende gedeelten van het huis omgebouwd tot ijzeren kooien. De slaapetage was alleen te bereiken door stalen deuren en hekken met grendels en hangsloten. Ondanks dat waren er regelmatig berovingen en gewapende overvallen. Er waren Nederlanders die een rozenkwekerij hadden opgezet aan de rand van het Victoriameer. Zij kweekten met groot succes prachtige lange rode rozen. Die werden daar door aan paar honderd lokale personeelsleden verzorgd, afgesneden, ingepakt en gekoeld en klaargemaakt voor de vlucht naar Schiphol en de veiling in Aalsmeer.
Een ander Nederlands echtpaar had een prachtige, kleine kaasfabriek opgezet. Zij maakten met groot succes heerlijke kaas. Jammer genoeg was er niet zo veel belangstelling voor. De Ugandezen hadden er kennelijk geen kaas van gegeten.
We leerden een Nederlands echtpaar kennen dat een grote groentekwekerij had. Zij kweekten bijvoorbeeld sperzieboontjes die werden geoogst, gewassen en ingepakt en na twee dagen in de Engelse supermarkten te koop waren. Zij hadden ook een afdeling waar ze in grote ovens in plakjes gesneden fruit droogden om het daarna te verwerken tot kransen en andere modellen kerstversiering. De productie daarvan draaide het hele jaar door. Heel creatieve en dappere ondernemers die het toch maar voor elkaar kregen om daar ver van Nederland in een nogal onveilig land een bloeiende onderneming op te zetten.

Weeskinderen en bedelaars
Als je in een land als Uganda woont, kun je natuurlijk geen afstand nemen van de enorme problemen waar iedereen dag in dag uit mee geconfronteerd wordt. We waren altijd wel bezig met het helpen van mensen die in de problemen zaten, alhoewel je nooit aan alle verzoeken kunt voldoen, want dat is echt dweilen met de kraan open. We betaalden schoolgeld voor flink wat kinderen en doneerden veel spullen van het hotel aan weeshuizen. Yoka was lid van de International Women Association en bezocht met andere dames regelmatig de vrouwengevangenissen en de weeshuizen. We doneerden veel kleding, vooral kinderkleding. We ontvingen groepen straatkinderen in het hotel en verzorgden voor hen een gezellige dag met goed eten en drinken. We doneerden naaimachines aan instituten waar weesmeisjes naailes kregen. Jammer genoeg werden we ook een paar keer in de maling genomen. We betaalden bijvoorbeeld schoolgeld dat niet voor het doel gebruikt werd waar het voor bestemd was of werden met dramatische verhalen om de tuin geleid om zielige weeskinderen financieel te steunen.
Op straat waren veel bedelaars en het was hartverscheurend te zien hoe de slachtoffers van polio helemaal kromgegroeid en mismaakt midden op het trottoir lagen en smekend hun hand op hielden. Ook bij de stoplichten lagen deze menselijke wrakken op straat. We reden vaak dezelfde route en gaven dan altijd wat als we voor het rode licht moesten wachten. Zo bouwden we een relatie op met een bedelaar die altijd op dezelfde plek zat. Hij begon al te zwaaien als hij onze auto aan zag komen.
Risico's
Op een dag liep een Deense ontwikkelingswerker met zijn vrouw en kinderen in een straat achter het hotel op weg naar zijn kantoor. Hij had een diplomatenkoffertje bij zich dat de aandacht trok van een aantal boeven. Zij probeerden hem het koffertje te ontfutselen. Hij begon met de rovers te vechten, maar zij trokken een pistool en schoten hem neer. Voor de ogen van vrouw en kinderen overleed hij. Dit soort verschrikkelijke situaties deden zich regelmatig voor en zorgden ervoor dat we altijd heel erg alert waren.
De ontwikkelingswerkers die kwamen om het land te helpen werden maar al te vaak het slachtoffer van de lokale bevolking die dat heel anders zag en geen boodschap had aan de hulp uit de rijke landen. Wij droegen geen sieraden, geen koffertjes of tassen en gingen als het even kon ’s avonds niet de straat op.
Diefstal aan de orde van de dag
Ook binnen de muren van het hotel was het verre van rustig, er werd dagelijks veel gestolen.
Gedurende zijn vierenhalf jaar in Kampala heeft Robert meer dan driehonderd hotelmedewerkers moeten ontslaan vanwege diefstal, corruptie en andere vergrijpen. Meestal ging dat in overleg met de vakbond, die is namelijk erg actief in Uganda. Hun werkwijze is helemaal op Engelse leest geschoeid. Een paar voorbeelden.
Het was Robert opgevallen dat vrijwel alle kamermeisjes in verwachting waren. Bij nader onderzoek bleek dat de meisjes gedurende hun werk de lakens, kussenslopen en handdoeken om hun middel bonden en er zo mee probeerden het hotel uit te lopen. Ook de dames van de bloemenwinkel in de lobby lieten zich niet onbetuigd. Ze stalen aan de lopende band het serviesgoed en het bestek uit de restaurants.
Op een dag was er een zware tropische regenbui, de hotellobby begon onder water te lopen. De riolering liep onder de marmeren lobbyvloer door en met behulp van de technische dienst werden de luiken opengemaakt. In de rioolbuizen en -putten bleken tientallen zilveren koffie- en theepotten verstopt, klaar om op een rustig moment in de nacht afgevoerd te worden.
Ook de gasten van het hotel lieten geen kans onbenut zich de hoteleigendommen toe te eigenen. Daardoor liepen pogingen om het niveau van het hotel op een hoger plan te krijgen vaak op niets uit. De investering in mooie spullen werd door diefstal meestal onmogelijk gemaakt.
De manager van de hotelwasserij deed in het geheim de privé-was van de gasten ’s nachts voor eigen rekening en de telefonisten maakten een deal met de medewerkers van het hoofdpostkantoor voor het gratis gebruik van de telefoonlijnen van banken en ministeries. De hotelgasten werd door het personeel bij contante betaling grote korting aangeboden. Het bleek dat ook de hotelgasten heel vaak meedeelden in de trucjes die de personeelsleden bedachten.
Het viel op dat een bepaald reisbureau in Kampala erg veel reserveringen maakte. Robert wilde de eigenaar/directeur van dit reisbureau, kennelijk een heel grote klant, wel leren kennen. Het reisbureau bleek niet te bestaan. Een medewerkster van de reserveringsafdeling van het hotel onderschepte veel van de binnenkomende hotelreserveringen, gaf die door aan haar man die dan onder een valse naam weer in het hotel boekte. Hij claimde dan later als 'reisagent' 10% commissie. We hebben ook deze medewerkster moeten ontslaan.
Zo gaat dat in Afrika
Zo zijn er tientallen verhalen te vertellen over de inventieve wijze waarop men dag in dag uit probeerde zich een gedeelte van het Sheraton-inkomen toe te eigenen. Een baan bij het Sheraton in Kampala staat in hoog aanzien. Vrijwel iedere medewerker van het hotel had thuis rond de twintig familieleden die graag meedeelden in kansen om het inkomen van de groep aan te vullen. Het was in hun ogen ondenkbaar dat je werkt bij de regering of een grote firma en daar niet flink van profiteert. Zo werd ook algemeen verwacht dat Robert een la vol dollars in zijn kantoor had en die met tassen vol het land mee uitnam. De medewerkers waren altijd weer verbaasd dat we terugkwamen van vakanties, ze verwachtten dat we er met 'de buit' vandoor zouden gaan.
Er was in het hotel een voetbalclub onder het personeel opgericht. Ze speelden regelmatig op een veldje in de buurt van het hotel. Ook Robert werd gevraagd mee te spelen. Het was een komisch gezicht, hij als enige blanke tussen al die pikzwarte jongens en meisjes. Maar het was erg gezellig en het enthousiasme was groot. Er was uiteraard gebrek aan materiaal en daarom besloten we om alle benodigde voetbaluniformen, de ballen, de keepershandschoenen en dergelijke mee te brengen uit Nederland. Ze waren er reuze blij mee en lieten Robert in de eerstvolgende wedstrijd twee keer scoren. Na twee maanden waren alle spullen die we uit Nederland hadden meegebracht spoorloos verdwenen. Zo gaat dat in Afrika.
Transportperikelen
Omdat de wasserij in het hotel nodig aan vernieuwing en renovatie toe was, besloot Robert dat er nieuwe was-, droog- en strijkmachines besteld moesten worden. Er werd een grote order geplaatst bij een firma in New York voor de levering van een nieuwe wasserij-inrichting. Ruim een half jaar later reed de vrachtauto, met twee containers die verscheept waren van New York naar Mombasa, het hotelhek door. Iedereen reuze blij dat nu eindelijk de lang verwachte machines uitgeladen konden worden. De verzegelde containerdeuren werden door de douane geopend. Tot ieders schrik lagen alle dure machines schots en scheef door elkaar. Alles was zwaar beschadigd en moest worden afgeschreven. Er waren alleen nog wat reserve-onderdelen uit de machines te halen. Foto’s gemaakt, de verzekeringsmaatschappij ingelicht en een claim ingediend. Bijna een jaar later kwamen de broodnodige nieuwe machines eindelijk aan.
Stinkende matrassen
Een soortgelijk geval deed zich voor bij de inkoop van driehonderd nieuwe matrassen voor de hotelbedden. Deze matrassen moesten volgens een door het Sheraton hoofdkantoor voorgeschreven formule gemaakt worden. Robert vond een beddenfabriek in Nairobi die dit wel aankon. Enige maanden later kwamen de nieuwe matrassen met open vrachtauto’s over de weg aan in Kampala. De housekeeping department ging aan de slag om de oude matrassen te vervangen door de nieuwe. Al snel bleek dat er een vreemde geur uit de matrassen kwam. Ramen en deuren wijd open hielp niet. De fabrikant erbij gehaald en na een onderzoek bleek dat de transporteur de matrassen niet zoals afgesproken had vervoerd. Om geld te sparen had hij ze overgeladen in trucks die ook gebruikt werden voor het vervoer van vee naar het abattoir. Vandaar dus de doordringende lucht in de matrassen. Er moesten nieuwe komen met een nieuwe importvergunning en voor de afgedankte matrassen een exportvergunning. Die gingen terug naar Nairobi. Dit alles was, met de diepgewortelde corruptie van de ambtenaren, geen eenvoudige procedure. Een half jaar later hadden we eindelijk nieuwe, stankvrije matrassen in de hotelkamers.
Kerst met Chris
We werden goede vrienden met Chris Martin, de directeur van de Standard Chartered Bank. Chris hield vaak gezellige etentjes in zijn villa. Vooral met Kerst was het daar erg sfeervol. Met zo’n honderd mensen Kerstliedjes zingen in de tuin met een kaars in de hand is een heel fijne manier om Kerst te vieren. We hebben Chris opgezocht in zijn huis in Engeland en hij kwam ons opzoeken toen we in Surabaya woonden. Hij was een goed golfer en vond het heerlijk met ons te spelen op de tropische golfbaan in de bergen op Oost-Java.
Kroning van de Kebaka
In juli 1993 kregen we een uitnodiging voor de kroning van een koning van de Bugandastam, de meest vooraanstaande bevolkingsgroep in dit land. Uganda is zoals vele Afrikaanse landen een door de Engelse kolonialisten samengevoegde groep van stammen en volken, die ieder hun eigen taal, zeden en gewoonten hebben. De stam van Buganda had altijd een koning gehad, maar tijdens het presidentschap van Idi Amin was deze koning in ballingschap naar Engeland gestuurd. De Kebaka, zoals de koning in de volksmond wordt genoemd en wiens naam Ronald Muwenda Mutebi II was, had in Londen de kost verdiend als loodgieter. De huidige president Museveni was het er aan gelegen de rust in het land te bewaren en hij had toegestemd in de terugkeer van de Kebaka naar Buganda. Daarmee verzekerde hij zich van de loyaliteit van deze bevolkingsgroep.
De dag van de kroning was op 31 juli 1993 en er waren duizenden mensen op de been. Er heerste een opgewonden stemming in het land. Enorme tenten waren opgezet en er stonden duizenden stoelen voor de genodigden. Er werden woeste dansen uitgevoerd en enorme, ceremoniële trommels rondgedragen die alleen voor dit soort zeer speciale gelegenheden tevoorschijn werden gehaald. Het was een wat chaotische en drukke bijeenkomst, maar toen Ssabajja Kebaka aankwam was voelbaar hoeveel respect deze man afdwong. Er deden wilde verhalen de ronde over zijn potentie en de macht die hij had om met een knip van zijn vingers elke vrouw die hij begeerde in zijn koninklijke hut te laten opdraven. Weigeren was er niet bij. De koning werd op een draagstoel binnengebracht en wuifde naar zijn onderdanen, maar er kon geen lachje af, het was een heel ernstige zaak. De kroning vond plaats en de wereldpers was daarbij aanwezig. Tientallen cameraploegen en honderden persfotografen verdrongen zich rond het podium, waar de Kebaka op een troon zat. Het kwam ook niet dagelijks voor dat er een kroning in een Afrikaans land plaatsvond en de plaatjes van de pikzwarte dansers en de feestvierende massa gingen de hele wereld over. Toen de koning na de kroningsceremonie wegreed in een grote limousine, renden er duizenden opgewonden volgelingen mee in grote stofwolken.
Niet aanraken
Enige maanden later was er een bijeenkomst in de tuin van het hotel. Ook de pas gekroonde Kebaka was aanwezig. Robert hield een welkomsttoespraakje en beloofde onder andere dat we bij verbouwingen in het hotel rekening zouden houden met de cultuur en kunst van de lokale stammen en dat we zeker niet zouden vergeten kunstvoorwerpen van de Bugandastam in het hotel neer te zetten. Het hotel moest een Afrikaanse sfeer uitstralen en niet een modern Amerikaans hotel worden. Na de toespraak liep Robert naar de koning en gaf hem een hand en een cadeau. Dat was helemaal fout en tegen het protocol, men mocht de koning nooit aanraken, niet op hem aflopen en ook geen cadeau aanbieden. Je mag wel, zoals veel volgelingen dat die avond deden, plat op je buik voor de troon van de koning in het stof gaan liggen om je respect te tonen en hem te begroeten. Je kruipt dan langzaam achteruit. Gelukkig liep dit voorval met een sisser af en het werd Robert, de domme, blanke man, vergeven.
In het publiek bij deze bijeenkomst zagen we een blank echtpaar. Yoka dacht dat de vrouw de Nederlandse schrijfster Marion Bloem was. Dat bleek het geval, ze was daar met haar echtgenoot Ivan Wolffers, ook schrijver en tevens hoogleraar aan de VU in Nederland. We kwamen met het stel in gesprek en spraken af dat ze de volgende dag bij ons op bezoek zouden komen. Het werd een gezellige avond en we spraken uitvoerig over onze ervaringen in Uganda en wat wij vonden van de Ugandezen.
Een paar jaar later kochten we in Amsterdam een boek van Marion Bloem: Muggen, mensen en olifanten. Het boek staat vol met reisverhalen. We sloegen snel het Uganda-verhaal op. Ze had een flink stuk gewijd aan haar bezoek aan Kampala en de ontmoeting die ze daar had met een Nederlands echtpaar waarvan de man hoteldirecteur was. We werden Trix en Tom genoemd en kwamen er niet zo best van af. In haar ogen waren we arrogante, betweterige, blanke kolonialisten die helemaal niets begrepen van de prachtige cultuur en de zeden en gewoonten van de lokale bevolking. We dachten dat ze ons aardig vond, maar daarin hadden we ons vergist.
Ugandese gerechtigheid
De paus had besloten een bezoek aan Kampala te brengen. Het land bereidde zich goed voor. De straten werden wit-geel versierd. De paus zou gaan logeren in de villa waarin een Ugandese kardinaal woonde. In het gevolg van de paus bevonden zich veel hoogwaardigheidsbekleders en persvertegenwoordigers. Zij huurden veel kamers en suites in ons hotel. De Italiaanse journalisten en cameramensen huurden de bovenste verdieping, waar zich acht suites bevonden, in zijn geheel af. De rekening van deze groep liep aardig op. Op de dag van vertrek vertrokken zij rond vier uur ’s morgens. Ze betaalden de rekening, die rond de 9000 dollar was, contant. De kassier die nachtdienst had was een Ugandese jongeman van rond de dertig jaar en hij had nog nooit zoveel contant geld bij elkaar gezien. Hij ging er met het geld vandoor. Dit ontdekten we ’s morgens, we haalden de politie erbij en onze eigen security-afdeling onder leiding van Sake ging op onderzoek uit.
In overleg met de politie loofde Robert een beloning van 500 dollar uit voor degene die de dief zou vinden. Het verhaal van de diefstal en de beloning kwam uitvoerig in de kranten. Meteen meldden zich allerlei fantasten en leugenaars die beweerden te weten waar de dief was. Ze waren bereid dat te vertellen in ruil voor een voorschot op de uitgeloofde beloning. Die vlieger ging natuurlijk niet op. Na een paar weken ontving Robert een telefoontje van een jongedame die zei dat ze belde vanuit Nairobi, dat ze een tijdje de vriendin was geweest van de dief en dat ze nu ruzie met hem had. Zij wilde hem aangeven en vertellen waar hij zich bevond. Robert schakelde de politie in. Sake, het hoofd van de hotelsecurity, reisde samen met een rechercheur van de Ugandese politie naar Nairobi om de zaak verder te onderzoeken. In Nairobi legden ze contact met de Keniaanse politie. Het meisje werd verhoord, haar verklaring leek heel betrouwbaar. In het door haar aangewezen huis trof de Keniaanse politie tijdens een nachtelijke inval inderdaad de gezochte dief aan. Hij maakte deel uit van een gezelschap van valsemunters en andere criminelen. Die nacht werden verschillende arrestaties verricht. Nu was het zaak om hem van Kenia naar Uganda terug te brengen. Bij de Keniaanse autoriteiten dienden we een officieel verzoek in voor uitwijzing van onze ex-kassier. Door corruptie en bureaucratie lukte dat niet goed. Sake besloot dat het lang genoeg had geduurd: hij kocht de Keniaanse gevangenisbewaarders om. Hij huurde een minibusje (matatu) en ging midden in de nacht met de door hem vrijgekochte gevangene op pad naar Kampala. Het lukte hem, samen met de Ugandese rechercheur, in de stromende regen ’s nachts deze rit goed te volbrengen. Om vier uur ’s morgens meldde hij zich in het hotel. Robert gaf opdracht de man in te sluiten op het politiebureau. Na een week werd de dief voorgeleid en veroordeeld tot negen jaar gevangenschap. Van de buit werd maar een paar honderd dollar teruggevonden. De ex-vriendin kwam uit Nairobi over om haar vijfhonderd dollar op te halen. Sake werd geprezen om zijn uitstekende werk en kreeg een bonus. De kranten schreven vol trots hoe de Ugandese gerechtigheid had gezegevierd. Het was een uitstekende les voor het hotelpersoneel dat je niet zo gemakkelijk wegkomt met diefstal. Het hotel kreeg de geleden schade vergoed van de verzekering.

Op safari
Ellen en Robert-Paul hadden na afronding van hun schooljaar een half jaar vakantie. De Internationale school in Amsterdam (ISA) begon pas weer in september, dus hadden ze mooi de tijd om Uganda te leren kennen. Ze maakten vaak safari’s met bevriende expat tieners. Na een van deze tochten kwam Robert-Paul terug en voelde zich niet zo lekker. De toestand verslechterde snel en na een bloedtest bleek dat hij malaria had. Hij had heel hoge koorts en voelde zich doodziek. Hij had wel malariapillen meegenomen op de campingsafari, maar vergeten die in te nemen. Een paar weken heeft hij doodziek op bed gelegen, maar hield er gelukkig geen nare gevolgen aan over.
We besloten met Ellen en Robert-Paul een bezoek te brengen aan de gorilla’s in het regenwoud op de grens van Uganda en Rwanda, zo'n 500 kilometer van Kampala. We hadden gehoord dat toeristen daar in de toekomst gorillafamilies dicht zouden kunnen benaderen en dat de eerste gorillagroep daar nu klaar voor was. Na een gesprek met het ministerie van Toerisme kregen we toestemming om als eerste bezoekers naar de gorilla’s toe te gaan. We konden overnachten in een onderzoekingsnederzetting van biologen. We pakten onze Mitsubishi Pajero vol spullen en proviand en vertrokken naar het westen. Eerst brachten we de nacht door in een klein hotel, in de buurt van de berg waar we overheen moesten. De volgende ochtend reden we naar boven over bijna onbegaanbare, steile bergpaden, langs ravijnen en hutjes van de bergbewoners. De natuur is daar schitterend. De grond is overal heel vruchtbaar en alles groeit en bloeit dat het een lust is. De laatste heuvel was te steil voor de auto. We lieten de auto beneden staan en gingen te voet verder. We hadden een prima nacht in het houten huis dat daar stond, we kookten ons diner en zaten ’s avonds buiten en luisterden naar de vele geluiden uit het oerwoud, onder andere van zeer luidruchtige chimpansees en schitterende vogels. De volgende ochtend stonden we om zes uur klaar voor onze tocht naar de gorilla’s. Onder leiding van een aantal gidsen begonnen we vol goede moed aan onze klim door het dichte regenwoud. We dwaalen uren over de berg, maar vonden geen gorilla. We trokken nog een uurtje of twee verder, zonder resultaat. Uitgeput besloten we het op te geven en daalden weer af naar het kamp. Een teleurstellende afloop van de tocht waaraan we zo vol enthousiasme en goede moed begonnen waren.
Ascot in Uganda
Om het leven in Kampala wat op te vrolijken, organiseerde de Engelse gemeenschap een Ascot racing day. Nu zijn er in Uganda geen paarden. Ze hebben een voor Ugandezen te intensieve verzorging nodig, en er zijn tseetseevliegen en horzels waar paarden niet tegenkunnen. Men liet daarom geiten de plaats innemen van de paarden. De Ascot-bezoekers waren op hun best gekleed: de dames droegen grote hoeden en mooie jurken, de heren hadden hun mooiste kostuums uit de kast gehaald. Men wedde volop op de deelnemende geiten, de bookmakers deden heel goede zaken. De geiten hadden niet alleen een naam en een rugnummer, ze hadden ook een kleurig zadel waarop een jockey was geplaatst. Deze jockeys waren zwarte poppen, gekleed in de traditionele, Engelse, kleurige jockey-kostuums. Als een race begon, jaagden de begeleiders hun geiten rond de race track, onderwijl luid aangespoord door de menigte die zich rond de renbaan had verzameld. Er waren bars en tentrestaurants en BBQ’s. Een leuk en succesvol evenement, dat weer eens laat zien hoe inventief mensen kunnen zijn.
In de lift
In het hotel kwamen regelmatig regeringsleiders bijeen. Er was dan zware bewapening met barricaden en tanks rond ons park. Zo was er een vergadering waarvoor de president van Uganda Youweri Museveni zijn collega’s Arab Moi van Kenia en Mwinyi van Tanzania had uitgenodigd. Robert verwelkomde de gasten en begeleidde ze naar een op de hoogste etage van het hotel gelegen vergaderzaal. De liften in het hotel waren niet al te groot en Robert stond schouder aan schouder met drie Afrikaanse lijfwachten en drie Afrikaanse presidenten in de kleine hotellift. Dat was een angstig moment, want de liften hadden nog weleens de neiging er de brui aan te geven. Het zou heel erg slecht zijn voor Roberts reputatie en misschien wel voor zijn gezondheid als hij met deze belangrijke heren in de lift vast zou komen te zitten. Otis-liftmonteurs waren geposteerd op de etages en in de ruimte op het dak, waar zich de liftmotor bevond. De technische dienst en de security-afdeling van het hotel waren volop alert. Gelukkig hoefden ze niet in te grijpen, het liep allemaal goed af.
Verschrikkingen in Rwanda
In 1994 brak de burgeroorlog in buurland Rwanda uit. Dat liep uit op een massale volkerenmoord, een genocide die haar weerga in de geschiedenis nauwelijks kent. De Hutu’s vermoordden in koelen bloede ruim 700.000 Tutsi’s. De foto’s en televisiebeelden die ons bereikten, waren niet om aan te zien. De rivieren en de kust van Lake Victoria lagen vol rottende lijken. Er werden grote bulldozers ingezet om de stapels dode lichamen op te scheppen en in diepe kuilen te gooien. Heel veel vluchtelingen zochten een goed heenkomen in de buurlanden, waaronder Uganda. Ons hotel was in no time volgeboekt. Toen kwam de hulp uit het buitenland op gang. Amerika stuurde een groot aantal militairen en bouwde op het vliegveld Entebbe een groot tentenkamp, pal naast de door de Israëliërs verwoeste terminal. Daar stonden ook helikopters en vliegtuigen waarmee de hulp werd uitgevoerd. We bezochten dit tentenkamp en konden onze ogen niet geloven toen we al die schitterende moderne apparatuur zagen. Niet alleen voor de communicatie en de verzorging van de soldaten, maar ook de ziekenzalen, operatiekamers, röntgenkamers, apotheek en tandartsenpraktijk die daar in een paar dagen waren neergezet. Yoka zei: 'Als je ooit in Uganda erg ziek wordt, moet je dat nu doen, hier ben je in goede handen.' De Amerikanen brachten veel apparatuur mee om schoon drinkwater te maken. In de vluchtelingenkampen brak cholera uit en na al de slachtoffers van de moordpartij waren er nu nog meer doden door de slechte hygiëne.
We kregen een aanvraag voor hotelaccommodatie van de Amerikaanse ambassade. Ze moesten een slaapplek vinden voor tachtig mariniers. Het hotel was vol, maar Robert bedacht een oplossing. De balzaal van het hotel was groot genoeg voor tachtig veldbedden met bij ieder bed een tafeltje en een stoel. We zetten er tv-toestellen neer en grote tafels waaraan men kon schrijven, kaarten, lezen en spelletjes doen. De Amerikanen konden ook computers en telefoons aansluiten. Robert werd het eens over de prijs van deze slaapzaal: 35 dollar per persoon per nacht. Ze konden de douches gebruiken van het zwembad en van het fitnesscentrum. Iedereen was er blij mee en de omzet van het hotel was, nu het helemaal vol was en ook de balzaal veel geld opbracht, nog nooit zo hoog geweest. 1994 werd een financieel topjaar voor het hotel. De bezetting was meer dan vier maanden ruim 100% geweest. Wel een wrange zaak dat dit gebeurde als gevolg van de verschrikkelijke situatie in Rwanda.
Murchinson Falls
Thil en Rein Zeeman van Interplast kwamen een paar keer per jaar naar Uganda. We konden heel goed met elkaar opschieten en maakten plannen voor een safari naar het noorden om daar Murchinson Falls te bezoeken. We vertrokken uit Kampala en reden langs de prachtige, bergachtige wegen via Masindi naar het Murchinson Falls National Park. Het was een rit zonder problemen. In het Park had een kennis van ons, de Indiase ondernemer Said Alam, een nieuw tentenkamp gebouwd. Zijn familie was actief op veel gebieden en probeerde vaste voet aan de grond te krijgen in de toeristenmarkt. Het tentenkamp in het Murchinson Falls National Park was nog niet helemaal klaar en de heer Alam had Robert gevraagd om te gaan kijken en advies te geven. Het management van het kamp was in handen van een Engelse jongeman. Zijn naam was Shaun Mann en we kenden hem al van een paar ontmoetingen in Kampala. Hij was ook schrijver en getrouwd met een beeldschone Italiaanse. Ze hadden een dochtertje van een jaar of vijf. Omdat het kamp nog niet helemaal klaar was, hadden we de auto volgeladen met eten en drinken, zodat we helemaal voor onszelf konden zorgen.
Het kamp lag op een schitterend plekje, hoog op de oevers van een van de zijtakken van de Nijl. In de rivier waren volop nijlpaarden en overal in de omgeving hoorde je de geluiden van de dieren. De tenten stonden op houten vloeren die op palen getimmerd waren. Ruime accommodatie, van alle gemakken voorzien. Er waren leuke terrassen en er was een bar onder een grote boom aan de rand van de rivier. We hadden het erg naar onze zin. We verkenden de omgeving en bekeken de katoenplantages. ’s Avonds werd er voor ons een BBQ gehouden en een groot kampvuur ontstoken. Een groep mensen uit een nabijgelegen dorpje voerde traditionele dansen uit. Ze dansten heel wild, een van de vrouwen raakte totaal in extase en viel flauw. De grote, lege, hangende borsten van de wat oudere danseressen zwiepten in het rond. Of dat echt was of toneelspel wisten we niet, maar spectaculair was het wel.
De volgende dag gingen we met een boot de rivier op en voeren tot onder aan de beroemde watervallen. Het water was vol met enorme krokodillen, langs de oevers honderden dieren die ons nieuwsgierig nakeken. Duizenden watervogels in alle kleuren en maten. Het water stroomt daar woest en krachtig en je kunt daarom de watervallen niet al te dicht benaderen. Het water van de Nijl perst zich hier met grote kracht door een smalle, zes meter brede en tientallen meters hoge opening. Na de boottocht reden we naar boven en bewonderden de omgeving van bovenaf de watervallen. De lokale bevolking vertelde ons over de dappere jongemannen die, om te kunnen trouwen met de meisjes van de overkant, een sprong over de smalle watervallen waagden om hun mannelijkheid te bewijzen. Dit liep niet altijd goed af en de krokodillen vonden dat wel prima.
Libische kwestie
Er kwam een reservering van de ambassade van Libië voor de viering van de nationale dag op 1 september in de balzaal. Ze wilden de zaal versieren met vlaggen en portretten van de Libische leider kolonel Khaddafi. Deze reservering was aangenomen en bevestigd door de Banquet-afdeling van het hotel. Toen Robert ervan hoorde, realiseerde hij zich dat Sheraton een Amerikaanse firma is en dat Sheraton geen zaken mocht doen met bepaalde landen zoals Iran, Noord-Korea en Libië. Hij overlegde met zijn hoofdkantoor en inderdaad werd hem verboden met de Libiërs in zee te gaan. Robert nam contact op met de Libische ambassadeur en vertelde hem het slechte nieuws. Deze man werd daarop heel erg boos. De volgende dag kwam er een brief waarin stond dat Libië Sheraton voor het gerecht zou slepen en een boete van twee miljoen dollar schadevergoeding zou eisen. Robert nam contact op met zijn hoofdkantoor en had gesprekken met de Amerikaanse ambassade over deze zaak. Dit alles werd heel hoog gespeeld namens de Amerikaanse ambassade en regering gingen Amerikaanse advocaten tot actie over. Amerikaanse senatoren en afgevaardigden van Capitol Hill stelden vragen. Advocaten van Sheraton bemoeiden zich ermee en na een aantal maanden van overleg ging de zaak de doofpot in. De receptie van Libië in het Sheraton ging niet door, men week uit naar een lokaal hotel dat geen binding met de Verenigde Staten had.
Aardbevingen
We hadden in Kampala nogal eens last van aardschokken en lichte aardbevingen. Het was een angstig gevoel als het hele gebouw begon te trillen en zwaaien. In de tuin lag een groot, rond zwembad, eens een geliefde plek van Idi Amin, die daar zwemwedstrijden hield die hij altijd won. Midden in het zwembad was een hydraulische lift met een platform, dat je door een tunneltje onder het water kon bereiken. Idi Amin kwam graag zittend op een troon op dit eilandje langzaam omhoog. Het werd ook gebruikt bij grote bruiloften om het bruidspaar, alsof ze uit een taart omhoog kwamen, een dramatische opkomst te laten maken.
Door de aardschokken begon het zwembad, dat op de rand van een heuvel gelegen was, een stukje te verschuiven en kwamen er barsten in de wanden. Een enorme en kostbare reparatieklus. De hydraulische lift hebben we maar niet gerepareerd en gewoon laten roesten.

Mooie tochtjes
Zoals eerder vermeld reden we in Uganda een Mitsubishi Pajero. Een stoere, ruime 4x4 waarmee we regelmatig op safari gingen.
In ruim twee uur reed je van Kampala naar Jinja door de thee- en suikerrietplantages over prachtige heuvels. In de buurt van Jinja zijn de Bujangali Falls waar we regelmatig naartoe gingen. Het zijn prachtige, woeste waterversnellingen aan de rand waarvan de kinderen en vrouwen de was doen. Mooie plekjes voor een picknick of een fotosessie. Later verdronk daar een overmoedige Nederlander die van plan was een wildwaterkanoproject voor toeristen te beginnen. Dat is er nooit gekomen.
Motorpech
Vrienden van ons, Paul en Carla Holtkamp uit Nederland, kwamen bij ons op vakantie. We hadden een programma voorbereid om ze een paar van de mooiste plekjes van het land te laten zien. We zouden een safari van tien dagen maken, met als hoogtepunt een bezoek aan de berggorilla’s (die we een jaar geleden met de kinderen niet hadden kunnen vinden). We reden een paar uur door het prachtige Ugandese landschap richting Queen Elizabeth National Park. Plotseling liep de trekkracht van de auto sterk terug en konden we geen snelheid meer maken. Een tiental kilometers later begaf de motor het helemaal en stonden we midden in de bush langs de kant van de weg. We probeerden de auto tevergeefs aan de praat te krijgen. We konden niets anders doen dan wachten op hulp. In die tijd waren er nog geen mobiele telefoons.
Na een uurtje kwam er een soldaat op een motor, hij stopte en vroeg wat er aan de hand was. Robert vertelde ons probleem en vroeg of hij hulp kon halen. Robert vertelde hem dat hij de directeur was van het Sheraton in Kampala en een goede vriend van een generaal en van president Museveni. Dat werkte onmiddellijk, de soldaat ging er meteen vandoor om uit het dichtstbijzijnde stadje hulp te halen.
Na een uurtje of twee zagen we de motorrijder terugkomen, samen met een kraanwagen met wel tien mannetjes erop.

Een overweldigende hulpactie. Na wat praten en overleg werden we gesleept naar een garage in het stadje verderop. Deze garage zag er meer uit als een autokerkhof, een enorme chaos van half gesloopte autowrakken, bergen onderdelen en oude autobanden. De baas van het spul zei dat het waarschijnlijk de benzinepomp was en dat zoiets zonder problemen gemaakt kon worden. De monteurs gingen aan de slag en sloopten de halve motor. De benzinepomp werd gedemonteerd, schoongemaakt en er weer ingezet. De motor sloeg niet aan. Zo werd er een hele serie onderdelen zonder resultaat onderhanden genomen. De baas van de garage zei dat er een nieuwe benzinepomp moest komen, maar dat die alleen in de hoofdstad Kampala te krijgen was en dat hij die wel wilde gaan halen. Robert belde met het Sheraton en regelde een kamer voor de garagehouder. Omdat hij er niet van overtuigd was dat de reparatie met de nieuwe pomp zou gaan lukken, vroeg hij gelijk om een andere auto te sturen. We namen onze intrek in een plaatselijk hotel en wachtten tot de volgende dag. De garagehouder kwam terug, hij had zijn vrouw meegenomen en een fijne nacht gehad in het Kampala Sheraton. Jammer genoeg was er niet het juiste type benzinepomp te vinden, dus kon de reparatie niet worden uitgevoerd. De Pajero moest teruggesleept worden naar Kampala. De reserveauto die door het hotel gestuurd was, was een minibusje met een chauffeur. Redelijk ruim en comfortabel maar niet het juiste voertuig om een safari in een park mee te maken. We gingen toch maar verder. We overnachtten in Mweja Lodge in het Queen Elizabeth National Park, hadden daar een prima diner en gingen vroeg naar bed.
Dat het minibusje niet de goede auto was bleek de volgende dag, toen we in het park vier keer diep in de modder vast kwamen te zitten. We moesten keer op keer de auto uit de modderpoelen duwen en voelden ons niet echt veilig in een omgeving waar wilde dieren inclusief leeuwen vrij rondliepen. We zagen toch heel veel wild zoals olifanten, allerlei soorten antilopen, buffels, hyena’s, wrattenzwijnen en nijlpaarden. We maakten een boottocht op het Kazinga Channel dat Lake Edward verbindt met Lake George. Dat water zit vol krokodillen en nijlpaarden. De kuststrook is bezaaid met veel soorten pelikanen, ooievaars, reigers, visarenden en andere watervogels. Die zijn daar in groten getale te vinden. Dankbare objecten voor de foto’s en video.
God bless you
We waren nog maar halverwege onze safari en wilden per se ook nog het regenwoud in om daar de gorilla’s te bezoeken. We zagen dat dit niet zou gaan met het minibusje en dus belde Robert maar weer naar het hotel en bestelde een sterkere auto. De volgende dag kwam er een Toyota pick-uptruck met een zware dieselmotor. We vervolgden onze tocht. We namen, omdat we nu een open achterlaadbak hadden, onderweg wat vrouwen en hun koopwaar mee van de dorpen waar we doorkwamen naar de markt. We deden dat gratis en dat waren ze niet gewend.
Ze namen afscheid met de woorden: 'Thank you, Mzungu, and God bless you.’ Toen we een lekke band kregen, bleek ook de band van het reservewiel lek te zijn. Niemand had daar ooit naar gekeken. Robert moest dus met de lekke band naar een garage voor de reparatie. Er kwam een minibusje aan, zoals gewoonlijk volgepakt met passagiers. Ze zaten mannetje aan mannetje maar hij kon er met het wiel op schoot nog net bij. Bij een benzinepomp werd de band geplakt, er stond groepje nieuwsgierige kinderen omheen en zij vroegen Robert om wat schoolgeld, schriften en potloden. Dat gebeurt overigens altijd als in je in Uganda in contact komt met de lokale bevolking. Altijd heel vrolijke, aardige en behulpzame mensen.
De band was geplakt en het wiel weer onder de auto gezet. We lieten ook de tweede band plakken en konden onze tocht vervolgen.
Op bezoek bij de gorilla's
We kwamen aan bij het Bwindi Impenetrable Forest, dicht bij de grens van Rwanda, waar we tot de eerste gasten behoorden van een heel klein tweekamerhotel. De wanden waren met modder bestreken. De keuken, de douche en de toiletten lagen buiten op de heuvel in schuurtjes of in door zeilen en stokken gebouwde hutjes. We hadden een prima diner en een rustige nacht. Het was mooi weer en we gingen de volgende ochtend met een groepje van zes gidsen de berg op en het regenwoud in. De gidsen liepen op flipflops en hakten op sommige plekken een paadje voor ons door de bush. Het was benauwd en vochtig, er waren weinig of geen dieren. Wel veel reusachtige mieren en andere insecten. De kunst was om de gorillafamilies te vinden die zwerven door het woud en over de modderige, steile hellingen. Drie gorillafamiliegroepen in dat gebied zijn aardig gewend aan het bezoek van mensen. Het vinden kon, afhankelijk van waar ze de nacht hadden doorgebracht, binnen een half uur lukken, maar als ze wat verder van het kamp waren kon het ook wel vier of vijf uur in beslag nemen. Meestal vindt men eerst de nesten en de uitwerpselen op de plek waar ze overnacht hebben. Na een uurtje of drie vonden we inderdaad de uitwerpselen. We vervolgden onze weg en moesten heel stil zijn. Niet meer praten, kuchen of hijgen en steunen. Plotseling moesten we halt houden en daar zagen we wat zwarte figuren op de grond zitten: de gorillafamilie. We stonden er ongeveer een meter of tien vandaan. De gidsen braken zachtjes takjes af om de gorilla’s de indruk te geven dat ook wij bezig waren met eten en daar niet kwamen met slechte bedoelingen. We zagen plotseling een gorillababy in een boom klimmen en heel dichtbij komen. Deze jonge gorilla was heel nieuwsgierig en slingerde aan de boomtakken vlak voor onze neus. De volwassen gorilla’s klimmen nauwelijks in bomen, maar bewegen zich over de grond. Het grote mannetje ziet er gevaarlijk uit en heet heel toepasselijk 'de silverback'. Het is een adembenemende en spannende aanblik. Gorilla’s zijn planteneters en als je ze niet bedreigt of probeert een baby van ze af te pakken zullen ze je geen kwaad doen. We maakten volop video- en foto-opnamen. We hadden dan ook al snel een lege videobatterij en natuurlijk geen reserve meegenomen. Maar er stond al aardig wat op de tape. We hadden onze eigen Gorilla’s in the mist- avontuur met succes volbracht.
Op diezelfde plek werd drie jaar later een aantal Australische toeristen door rebellen vermoord. De rebellen wilden schade toebrengen aan de regering van Uganda, die goed verdiende aan dit gorillatoerisme. Er kwamen daarna lange tijd geen bezoekers meer in dit gedeelte van het regenwoud. De angst zat er goed in. Sommige van de reisbureaus in Kampala, die hun omzet vooral maakten met het gorillatoerisme, moesten hun deuren sluiten.
We zouden het Bwindi Forest een jaar later voor de derde keer bezoeken, maar toen met prins Bernhard.
Turbomotor
De Pajero was niet te repareren, het bleek de turbomotor te zijn die de geest had gegeven. Robert zocht via internet contact met een dealer, maar kon geen vervangende turbomotor vinden. Hij nam toen contact op met de Mitsubishi-fabriek in Japan en bestelde daar een nieuwe turbomotor. Voor de zekerheid liet hij dit onderdeel afleveren in Amsterdam. In Uganda zou het bij aankomst op het vliegveld gestolen kunnen worden. Yoka was toch al van plan Robert-Paul en Ellen in Amsterdam op te zoeken en ze kon mooi de turbomotor mee terugbrengen. Het was wel een zwaar ding, maar hij ging toch mee. Yoka vloog terug van Amsterdam naar Entebbe met British Airways via Londen. Jammer genoeg was er in Londen grote vertraging en moesten alle passagiers voor Entebbe de nacht in een Londens hotel doorbrengen. Dit werd voor Yoka een enorm gesleep met de zware koffers en de turbomotor van het vliegveld in de bus naar de stad, in het hotel ermee rondslepen en toen de volgende dag weer terug naar Heathrow. Gelukkig liep alles goed af en paste de turbo wonder boven wonder prima in de motor van de Pajero. Hij liep weer als een zonnetje.
Dood door een leeuw
We maakten weer een tocht naar Mweja Lodge in het Queen Elizabeth National Park. Toen we zaten te lunchen op het terras van het hotel, was er een Engels echtpaar dat heel nerveus zat te praten. We zagen bloed aan de tas die ze bij zich hadden en dus gingen we vragen wat er aan de hand was. Ze vertelden ons dat ze die ochtend getuige waren geweest van een aanval van een leeuw op een man die fietste door het Park. De leeuw had de man van de fiets gesleurd en mee het veld ingetrokken. Toen ze dat zagen gebeuren, waren ze onmiddellijk gestopt, en de gids die ze bij zich hadden, had met zijn geweer in de lucht geschoten. Daarop liet de leeuw zijn prooi los en ging er vandoor. De man was zwaar gewond. Ze hadden hem achter in de auto gelegd maar hij overleed op weg naar het ziekenhuis. Je kunt begrijpen hoe emotioneel dit echtpaar daarvan was. Later hadden we nog eens contact met ze in Kampala. Ze vertelden dat ze ook nog een bezoek hadden gebracht aan het huis van de overleden man en daar een ontmoeting hadden met de weduwe die met een groot aantal kinderen nu geen bron van inkomsten meer had. De Engelsman had een verhaal geschreven over wat ze hadden meegemaakt en dit verkocht aan Readers Digest. De opbrengst had hij gegeven aan de weduwe, die daardoor een behoorlijk financieel steuntje in de rug had gekregen.

Going Green
Het Sheraton Kampala verleende veel steun aan de dierentuin van Entebbe. De technische dienst van het hotel schoot regelmatig te hulp om de kapotte waterhuishouding van de dierentuin te repareren. We gingen er vaak naartoe om te kijken naar wat er zich daar afspeelde. Er was een aantal Engelse vrijwilligers aan het werk die waren uitgezonden door de London Zoo. We hadden daar een goede relatie mee en konden af en toe spelen met de babychimpansees.
In het hotel hadden we een 'Going Green'-fonds opgericht en zamelden geld in voor natuurprojecten. We hadden aardig wat in kas en keken uit naar een paar doelen om het verzamelde geld aan te besteden. In de Entebbe Zoo zaten twee Shoe Bill Storks in een klein, kippenhokachtig verblijf. Dit zijn hele zeldzame, ongeveer 1 meter 30 hoge ooievaars met een gigantische, ronde snavel en kraaloogjes. We wilden voor deze vogels een beter onderkomen bouwen en maakten met behulp van de Engelse medewerkers een ontwerp voor een 'Wetland Enclosure'. De bezoekers zouden in een huisje kunnen en dan van binnen uit naar buiten kijken over een waterlandschap, zoals de oevers van de Nijl, gelegen onder een reusachtig net dat met staaldraden tussen de bomen gespannen zou worden. Dit plan werd goedgekeurd en uitgevoerd.
De Shoe Bill Storks werden overgebracht naar hun nieuwe behuizing. Bij de feestelijke opening en de officiële overdracht was de minister van Toerisme van Uganda aanwezig. In diezelfde tijd was Jane Goodall, beroemd van haar werk met chimpansees in Afrika, onze gast in het Sheraton. Ze gaf daar een aantal lezingen. We vroegen haar ook aanwezig te zijn bij de feestelijke gebeurtenissen in de dierentuin en dat deed ze graag. Zo hadden we een wereldberoemde gast en kregen extra publiciteit voor ons project.

Een tweede project was het overbrengen van een aantal chimpansees naar een betere leefomgeving. Er waren in de dierentuin wel dertig chimpansees. Veel te veel en de kooien en hokken waren niet toereikend. Het plan werd geopperd om ruim tien chimps naar een groot eiland in Lake Albert te brengen. Daar zouden ze in de vrije natuur kunnen leven, maar toch bijgevoerd en verzorgd kunnen worden door een paar oppassers. Je kunt chimpansees die in gevangenschap hebben gewoond niet zomaar loslaten in de natuur. Ze kunnen dan niet overleven. Dit plan werd uitgevoerd. De chimpansees werden door een dierenarts verdoofd, in grote kisten geladen en met vrachtauto’s over een afstand van 500 kilometer naar Lake Albert gebracht. Daar met bootjes naar het eiland gevaren. Dit eiland was ongeveer 500 meter lang en dichtbegroeid en er stonden hoge bomen. Prima om in te klimmen. Ernaast lag een kleiner eiland, waarop een onderkomen voor de oppasser gebouwd werd. Voor het grote eiland werd een drijvend ponton verankerd waar de toeristen en andere bezoekers tegen betaling naartoe konden om de chimpansees te zien en te fotograferen. Een maand later was er een feestelijke opening in de aanwezigheid van verschillende regeringsfunctionarissen, onder wie de minister van Toerisme en de directeur van de National Parks. Er was veel lof voor het Going Green- programma van het Sheraton Hotel.
Bezoekerscentrum bij de gorilla's
Er was nog vrij veel geld over in de kas van ons Going Green-fonds. Door onze bezoeken aan de gorilla’s hadden we de situatie daar beter leren kennen. Er waren nauwelijks faciliteiten voor de bezoekers en voor de gidsen die daar werkten. Ook waren er soldaten die moesten voorkomen dat stropers de babygorilla’s meenamen voor de verkoop. Een babygorilla meenemen kun je alleen voor elkaar krijgen na het doden van de moedergorilla en vaak nog meerdere leden van de gorillafamilie die zich verzetten tegen het stelen van een jong. Het gebeurde nog steeds omdat de prijs van een babygorilla op de illegale markt zo hoog is, dat men er alles voor over heeft. Vandaar de soldaten in dat gebied, stropers moesten op een afstand worden gehouden. We hadden het plan opgevat om van ons Going Green-geld een huis te laten bouwen waar al die medewerkers en de bezoekers een ontmoetingsplek zouden hebben, waar alles met betrekking tot de gorilla’s tentoongesteld kon worden en waar voorlichting gegeven kon worden aan studenten. Een multifunctioneel bezoekerscentrum. We bereikten snel overeenstemming met de leiding van de natuurreservaten en de regering van Uganda. Ze vonden het een mooi plan.
We schreven een competitie uit onder een aantal architectenbureau’s Er werd een tentoonstelling van de ingezonden ontwerpen gehouden en een jury waarin Robert zitting had koos het beste ontwerp.
Prins Bernhard op bezoek

Een paar maanden later kwam prins Bernhard op bezoek in Uganda en waren we nauw betrokken bij het opstellen van zijn programma. Hij vloog met een Fokker Friendship met een klein aantal stafleden en we hadden een suite voor hem in het Sheraton. Er werd daar ook een WWF-diner georganiseerd, waar Yoka de tafeldame van de prins was en gezellig met hem keuvelde over de kinderen en andere belangrijke zaken. De prins zei onder andere dat het een wat vreemd gevoel was met Pasen niet thuis op Soestdijk te zijn. Hij ging altijd met Pasen met zijn vrouw naar de kerk. Maar ach, dat was de laatste jaren ook niet meer zo’n succes, zijn vrouw viel nu tijdens de kerkdienst in slaap. Maar Trix zei dat dat helemaal niet erg was. Het werd een heel gezellig diner. Er waren toespraakjes en de prins herinnerde zich nog de ontmoeting met Robert een jaar of vier geleden in Sydney. Hij prees Robert voor zijn inzet en bijdrage aan de WWF-projecten. Ook merkte hij op dat Robert zo’n mooie das om had. Dat was ook zo, het was een Hermes-das met kleine, getekende nijlpaarden erop en dat was de prins opgevallen. Robert bood de prins de das aan, maar die weigerde hij te aanvaarden.
De volgende dag bezochten we de Entebbe Zoo, dronken daar een glas wijn en bekeken het nieuwe Shoe Bill Stork-onderkomen en de omstandigheden waarin de tientallen chimpansees leefden die uit de handen van smokkelaars, handelaren en circussen waren gehaald. De prins luisterde vol aandacht naar het verhaal over ons chimpanseeproject in Lake Albert.
Met de prins naar de gorilla's

De volgende dag reisden we richting Bwindi om daar de gorilla’s te bezoeken. Yoka en Robert gingen per auto. De prins met zijn gevolg eerst een flink stuk met hun vliegtuig en daarna verder met auto’s. Het was ruim 500 kilometer rijden, maar omdat we dit al twee keer eerder hadden gereden, was het bekend terrein. We waren eerder bij het tentenkamp dan de prins. Het regende flink, maar de tenten stonden op houten vloeren op palen, waren dubbeldaks, groot en sterk en voorzien van een comfortabel zitgedeelte, een slaapgedeelte, een toilet en een douche. In een aparte tent was een catering unit ingericht.
De prins kwam aan en vond het prachtig. Om wat te rusten, trok hij zich enige tijd terug in zijn tent en kwam later gezellig met ons eten en een glas wijn drinken. Ons viel op dat hij alles wat hij at op smaak bracht met Parmezaanse kaas, sambal oelek en ketjap. Na afloop van het diner nog wat whisky en een grote sigaar.
De prins was veel in de weer met cryptogrammen en vroeg soms, als hij er niet uitkwam, onze hulp. De cryptogrammen waren heel moeilijk, dus konden wij meestal niet helpen.
Toen het na het diner nogal laat werd en de prins na zijn vermoeiende reisdag wilde gaan slapen, zag hij op tegen de klim de heuvel op naar de tent die voor hem was gereserveerd. Hij vroeg aan Robert wie er sliep in de tent onder aan de heuvel, vlak naast de cateringtent waarin we de avond hadden doorgebracht. Robert zei dat hij en Yoka daar zouden slapen. De prins vroeg vriendelijk of ze niet konden ruilen. Natuurlijk stemden we in met zijn verzoek en dus sliepen wij die nacht in het prinselijk bed.

De volgende dag begon de prins de dag met een ontbijt van twee 'Stücke Brot' en twee koude Heineken-biertjes. Daarna maakten we een wandeling in de omgeving. De klim bergopwaarts door het regenwoud werd voor de prins toch te vermoeiend. We vergezelden hem naar wat watervalletjes en genoten onderweg van de prachtige natuur, de bloemen en de vlinders. We maakten daarvan veel video-opnamen, de prins vond dat prima. De derde dag van ons verblijf was de eerste steenlegging van het Gorilla-bezoekerscentrum en overhandigden we een cheque voor de bouwkosten. De prins vond het een mooi initiatief en doneerde privé nog eens extra 500 dollar. We hadden prachtige dagen met prins Bernhard en zijn gevolg en bewaren mooie herinneringen aan zijn warme persoonlijkheid en grote liefde en interesse voor Afrika.
Nominatie Harold Geneen Award
Voor al het werk dat Robert in Uganda had gedaan voor het Going Green-fonds werd hij genomineerd door ITT, de moedermaatschappij van Sheraton, voor de prestigieuze Harold Geneen Award in de categorie Community Services. Deze prijs wordt jaarlijks in New York uitgereikt. Robert kreeg uiteindelijk de prijs niet. De winnaar werd zijn collega, de GM van het Sheraton in Koeweit. Dit hotel was zwaar beschadigd tijdens de inval van Irak in Koeweit. De GM had de wederopbouw zeer voortvarend begeleid en dat was opgevallen in Amerika.
Beste hotel van Afrika
In 1994 werd er een Sheraton-conferentie voor de Africa & Middle East-divisie georganiseerd in Doha, de hoofdstad van Qatar. Ook Robert ontving een uitnodiging. Het Sheraton in Doha is een groot, indrukwekkend, superluxe hotel dat gebouwd is in piramidevorm en ligt aan de stranden van de Perzische Golf. Het is een van de belangrijkste hotels van de Sheraton-groep. Robert was erg onder de indruk van alles wat daar mogelijk was in tegenstelling tot het arme, achtergebleven Uganda. Tijdens de conferentie werd het Sheraton Kampala uitgeroepen tot het beste hotel van Afrika. Robert was uiteraard heel trots. Hij kon niet vermoeden dat hij een aantal jaren later zelf directeur zou zijn van het Sheraton Doha.
Nieuwe auto
Omdat onze Mitsubishi Pajero zoveel technische problemen vertoonde en het te riskant was daarmee op safari te gaan, besloten we een nieuwe auto te kopen. We kozen een robuuste terreinwagen: een Landrover Discovery, met een sterke dieselmotor. De auto werd geïmporteerd uit Engeland en een paar maanden later reden we trots met onze nieuwe, onverwoestbare auto door Uganda.
Ellen en Robert-Paul kwamen voor een paar weken vakantie en we maakten plannen voor een grote safari. Met onze nieuwe auto was een lange tocht door Oost-Afrika goed mogelijk. We stippelden een route uit die ons door Uganda, via Kenia naar Tanzania zou voeren – heen en terug bijna 3500 kilometer. We sliepen in safarilodges en planden bezoeken aan een groot aantal natuurreservaten, waaronder Lake Naivasha, Amboseli, de Masai Mara, de Serenegeti en de Ngoro Ngoro-Krater. We hadden alle visa en vergunningen voor ons en de auto in orde gemaakt. We reden van Kampala naar de grens van Kenia en werden daar weer eens geconfronteerd met de bureaucratie in die landen. Ze vonden dat er een stempeltje ontbrak op onze uitreisvergunning. Robert ging naar het kantoor aan de grens waar de heren zitten die het voor het zeggen hebben. Hij liep naar binnen en direct in de armen van een hoge ambtenaar die hem zeer warm welkom heette. 'Mr. Robert, happy New Year, how are you?' Robert had veel met hem te maken bij de import van diverse producten voor het hotel. Hij was altijd vriendelijk geweest en zeker niet minder geworden van zijn vele contacten met Sheraton. Dat kwam nu goed van pas. De stempeltjes waren in een oogwenk gezet en we konden onze reis vervolgen.
Ngoro Ngoro-krater
Het werd een onvergetelijke reis. In de National Parks zagen we duizenden flamingo’s, de Big Five (olifant, neushoorn, buffel, luipaard en leeuw), honderden nijlpaarden, gazellen, wrattenzwijnen en tientallen giraffen. Er waren overal volop tropische vogels, slangen en insecten. We reden tussen de kuddes wildebeesten, gnoes en zebra’s. Het was een aaneenschakeling van schitterend landschap vol prachtige dieren, kleine dorpjes met veel vee en vrolijke, goed doorvoede mensen. We fotografeerden en maakten volop video-opnamen.
Een hoogtepunt van deze reis was toen we met een gids de Ngoro Ngoro-krater in gingen. Deze niet-actieve krater is een van de grootste in de wereld. Hij heeft een doorsnede van 18 kilometer en de steile kraterwanden steken op sommige plekken 2500 meter uit boven de vruchtbare bodem. Er leven ongeveer 30.000 dieren in deze krater. In het midden ligt een meer, Lake Magadi. Langs de steile bergwand gingen we in de eerste versnelling naar beneden en toen door het prachtige landschap op de bodem van de krater, midden tussen al het loslopende wild door. De gids die meereed in onze auto gedroeg zich wat vreemd en later bleek dat hij stomdronken was. Hij dronk constant waragi, een soort lokale gin dat verpakt zit in kleine plastic zakjes. Door de drank was hij nogal dapper en dat stelde ons in staat alle dieren van heel dichtbij te bekijken en door nogal onbegaanbare plekken op de bodem van de krater te rijden. We stonden met onze auto midden tussen een groep leeuwen waarvan de welpjes bijna onder onze auto doorliepen terwijl vader leeuw aan een zebra lag te knagen. We kwamen vast te zitten in de modder en werden geholpen door de Masai-krijgers om verder te kunnen. We zagen de ruïne van een huis dat ooit gebouwd was door Duitsers die zich daar hadden gevestigd als leveranciers van wild aan dierentuinen over de hele wereld. Ze waren ermee gestopt en het huis was vervallen.
Later vonden we uit dat de musical en het boek The Lion King gebaseerd is op deze Afrikaanse krater en alles wat zich daarin afspeelt.
We sliepen in een lodge op de rand van de steile kraterwanden en zagen ’s avonds de spectaculaire zonsondergang. ’s Morgens om zes uur de opkomst van de vuurrode zon boven de met nevels gevulde krater, waarin al die prachtige dieren rondzwerven en proberen te overleven. Zeker een van de mooiste plekjes die we in Afrika hebben bezocht!
Op de terugweg namen we een paar nachten onze intrek in de Windsor Golf en Country Club in Nairobi. We speelden daar golf en lagen bij het zwembad om uit te rusten van onze safari. We wisten toen nog niet dat we daar een jaar later vaste bezoekers zouden zijn.
Te hard gereden
Ellen en Robert-Paul vlogen van Nairobi terug naar Amsterdam. Wij reden van Nairobi naar Kampala. Even buiten Nairobi werden we aangehouden door een politieagent die beweerde dat we te hard hadden gereden. Dit was volgens ons niet het geval. De agent had geen apparaat voor de snelheidscontrole bij zich. Hij wilde ons toch bekeuren en we moesten gelijk naar het politiebureau om de boete te betalen. Daar hadden we uiteraard niet zo veel zin in. We onderhandelden en probeerden tijd te winnen voor een andere oplossing. De agent wilde ons wel laten gaan tegen betaling van 100 dollar in cash. We werden het eens en betaalden 100 dollar om verder te mogen. Zo werkt de politie in Oost-Afrika. We hopen dat zijn gezin ervan geprofiteerd heeft.
Nieuwe mogelijkheden
Het was eind 2004 en Yoka en Robert waren na een bezoek aan Nederland voor een paar dagen in Londen. Sami Zoghbi, de Sheraton-president voor Afrika en het Midden-Oosten, belde op en vroeg Robert in Londen op hem te wachten. Hij wilde Robert voordragen als de nieuwe directeur van het Sheraton Hotel in Riaad, de hoofdstad van Saudi-Arabië. De Saudische eigenaren van dat hotel zouden ook in Londen zijn en met Robert een sollicitatiegesprek voeren.
Dezelfde dag dat Sami Zoghbi belde, kwam er ook een telefoontje uit Jakarta in Indonesië. De Sheraton-man die het daar voor het zeggen had vroeg Robert of hij belangstelling had om directeur te worden van een nieuw te bouwen Sheraton Hotel op het eiland Bali. Dus waren er twee aanbiedingen binnen 24 uur. Yoka en Robert bespraken de kansen die zich voordeden en waren er al snel uit. Bali was een velen malen aantrekkelijkere optie. Na nog wat bellen met Jakarta besloten we niet naar Riaad te gaan. Sami Zoghbi was inmiddels in Londen aangekomen en verwachtte Robert in het Sheraton Park Towers. Toen Robert hem daar vertelde over de Bali-mogelijkheid was hij 'far from amused'.
Robert moest dan maar onmiddellijk zijn functie overdragen aan een opvolger en vertrekken. Zo gezegd zo gedaan, we gingen terug naar Kampala om in te pakken en over te dragen. Viereneenhalf jaar Uganda zat er bijna op. Nadat alles geregeld was en Robert nog een aantal keren had getelefoneerd met Jakarta en de verzekering had gekregen dat alles in orde was, gingen we voor een korte vakantie naar Amsterdam. We wilden voor ons vertrek naar Indonesië nog wat tijd doorbrengen Robert-Paul en Ellen.
Toen kregen we in Amsterdam een telefoontje uit Jakarta met de mededeling dat het project in Bali niet doorging, de eigenaar had zich uit de onderhandelingen met Sheraton teruggetrokken. Maar, zo zei men, er zou zeker een ander hotel in Indonesië beschikbaar zijn. Er waren twaalf Sheraton Hotels in dat land, één daarvan werd zeker Roberts nieuwe werkplek. Ze konden hun beloften echter niet hard maken. Sheraton had zo een-twee-drie geen GM-positie beschikbaar. Robert had geen keus en moest tegen zijn zin de Sheraton-groep verlaten. Er werd in het Sheraton Kampala een afscheidsfeest en receptie georganiseerd. Onder de ruim 400 gasten bevond zich ook de voltallige raad van bestuur. De nacht voor dit feest overleed in Amsterdam Roberts vader. Het was heel moeilijk om toch op deze partij aanwezig te zijn en Robert moest zich vooral flink houden toen de voorzitter van de raad van bestuur aan alle gasten vertelde over het overlijden van Roberts vader en hij vroeg om een minuut stilte in acht te nemen. Er waren cadeaus en toespraakjes, er werden foto’s gemaakt en Roberts opvolger werd voorgesteld. Dit was wederom een Nederlander, Dirk ten Brink. Anno 2007 is Dirk nog steeds in Uganda, waaruit blijkt dat dit land op velen een heel bijzondere aantrekkingskracht heeft.
Aandenken aan Uganda
Kort voor ons vertrek uit Kampala kocht Robert op een schilderijententoonstelling een groot schilderij van de Keniaanse schilderes Therese Musoke. Het schilderij was ongeveer 170 bij 215 centimeter groot. Het was geschilderd in de roodbruine en gele tinten van het typische Afrikaanse landschap, en stelde een klein groepje zebra’s voor die in de trillende hete lucht staan in een droog en dor steppengebied. We waren er erg trots op en hadden het een plaatsje gegeven in ons appartement. Een internationale verhuisfirma pakte onze spullen op professionele wijze in en verscheepte ze naar Amsterdam. We besloten om het grote schilderij uit de lijst te halen en op te rollen om het in een koker te laten verschepen. In verband met het overlijden van Roberts vader moesten we snel naar Amsterdam vertrekken en konden we niet aanwezig zijn bij het inpakken van al onze persoonlijke eigendommen. Toen twee maanden later onze spullen in Amsterdam aankwamen, hadden we de indruk dat het schilderij er niet bij was. Er waren alleen maar dozen en daar kon het niet inzitten. Toen we gingen uitpakken, ontdekten we dat het schilderij er wel was… het was uit de lijst gehaald en opgevouwen als een beddenlaken en in een kleine verhuisdoos gestopt. Ons schilderij was zwaar beschadigd. We besloten het op kosten van de verzekering te laten restaureren. We vonden in Amsterdam een gerenommeerde restaurateur die ook regelmatig werk deed voor het Rijksmuseum. Hij verzekerde ons dat het helemaal weer in orde zou komen. Er hing wel een flink prijskaartje aan: de kosten waren 10.868 gulden. Een enorm bedrag, maar dan zou het schilderij er weer als nieuw uitzien en prachtig ingelijst worden. We besloten het te laten restaureren en de verzekering aansprakelijk te stellen. Dat werd een enorme touwtrekkerij. Na ruim een jaar lukte het eindelijk om de betaling te krijgen van het hoofdkantoor van de verhuisfirma in Londen. We zijn nu steeds de trotste bezitters van dit prachtige aandenken aan onze Uganda-jaren.
Nieuwe bestemming: Nairobi
In Nairobi, de hoofdstad van Kenia, bevindt zich het schitterende Safari Park Hotel en Casino, aan de rand van de stad in een heuvelachtig parklandschap. Het was eigendom van een Zuid-Koreaanse firma, die heel veel geld verdiende met het runnen van casino’s in het Verre Oosten. Zij exploiteerden daar onder de naam Paradise Group een aantal vooraanstaande hotels met casino’s, maar bezaten ook een universiteit en een conservatorium. Een van de hotels die zij in eigendom hadden, was het Sheraton Walker Hill in Seoul. Ze hadden een prima relatie met Sheraton. De directie van de Paradise Group kende Robert goed, want ze waren een paar keer in Kampala op bezoek geweest, om te kijken naar de mogelijkheden om een hotel en een casino te openen. Ze hadden in Kampala heel serieus met Robert gesproken over het huren van ruimte in het Sheraton Kampala voor een casino-exploitatie. Ook hadden ze Robert wel eens gevraagd of hij in Nairobi wilde komen werken, maar aangezien hij tevreden was met zijn werk in Kampala was hij daar niet op ingegaan. Robert belde de voorzitter van de raad van bestuur van het Safari Park Hotel en vertelde dat hij nu wel belangstelling had. Dat was onmiddellijk in orde. Ze hadden nog steeds een vacature voor de General Manager’s positie, zijn telefoontje was goed getimed, ze wilden hem heel graag hebben, een sollicitatiegesprek was niet nodig en... hij kon volgende week beginnen. Ze stuurden een uitstekend contract op. Robert pakte zijn koffers en vertrok snel naar Nairobi. Yoka volgde een paar weken later en Nairobi werd vanaf 1995 onze nieuwe woonplaats.